Je hebt homoseksuele gevoelens, zonder dat je dat zelf wilt. Zijn die gevoelens dan zondig? Over deze vraag gaat een bijdrage van Denny Burk, die hij op 8 december 2014 op zijn eigen website publiceerde. Klik hier voor de originele, Engelstalige versie van het artikel.

Een paar weken geleden nam ik deel aan een panel van de Evangelical Theological Society. Er werd gediscussieerd over de vraag ”Is een homoseksuele gerichtheid zondig?” Owen Strachan leidde het debat tussen de drie personen die essays over het onderwerp presenteerden: Wesley Hill, Preston Sprinkle en ondergetekende. Zowel Wesley als Preston hebben over de sessie gepost. Ook Craig Sanders heeft een verslag geschreven.

Ik werk momenteel aan een boek over seksuele gerichtheid (”Transforming Homosexuality. What the Bible Says about Sexual Orientation and Change”, paperback – 28 september 2015). Veel van wat ik in het panel te berde bracht, was een eerste versie van wat in dat boek zal verschijnen. Ik zal me dus inhouden om het hele betoog hier niet te herhalen. Als u mijn essay wilt lezen, stuur me dan een e-mail en ik zal het u toesturen. De kern van ons meningsverschil in het panel ging over de ethiek van een gerichtheid. Kortgezegd: we hadden een meningsverschil over de vraag of homoseksuele gevoelens zondig zijn. Ik beweerde van wel. Preston en Wesley beweerden van niet. Dat waren dus de twee kanten van het panel.

Veel voorkomende bezwaren tegen mijn standpunt komen hierop neer: Hoe kan een gerichtheid zondig zijn als ze ongekozen is? Hoe kunnen homoseksuele gevoelens zondig zijn als ze onvrijwillig zijn? Als de gerichtheid en de daaruit voortvloeiende gevoelens natuurlijk zijn, hoe kunnen ze dan zondig zijn?

De discussie draaide er dus grotendeels om hoe we termen definiëren: zonde, gerichtheid, gevoelens, verlangen, enzovoort. Als de termen eenmaal gedefinieerd zijn, rest nog te laten zien hoe een Bijbelse antropologie zich verhoudt tot moderne seksuele identiteitsstempels. Ik ben er niet zeker van dat we het over dat alles eens zijn geworden, maar ik dacht dat we wel wat vooruitgang hebben geboekt. Gezien het feit dat wij alle drie augustinianen zijn in onze visie op zonde en genade, heb ik goede hoop dat we tot een nog grotere eenheid over deze zaken zullen kunnen komen.

Eén ding is me in ieder geval duidelijk geworden nu ik deze vraag het afgelopen jaar van tamelijk dichtbij heb bekeken. Deze vraag is echt niet nieuw. Uiteindelijk dwingt ze ons terug te keren naar een terrein dat de afgelopen twintig eeuwen grondig door theologen is bestudeerd. Het antwoord heeft alles te maken met iemands antropologie.

Als je de menselijke natuur beschouwt als een tabula rasa en als je zonde/zondigheid beperkt tot iemands gedrag –datgene waar iemand zelf voor kiest– dan zul je de vraag op een bepaalde manier beantwoorden. Als je echter de menselijke conditie als fundamenteel gebrekkig beschouwt –dat we niet alleen in onze keuzes, maar ook in onze natuur zondig zijn– dan zul je de vraag op een andere manier beantwoorden. En dat verschil gaat minstens zo ver terug als Augustinus en Pelagius.

In dat verband werd ik getroffen door enkele passages die ik onlangs las in Charles Hodges Systematic Theology. In zijn pleidooi tegen ‘pelagiaanse en rationalistische doctrine’ schrijft hij:

Wij schrijven het zedelijke karakter toe aan principes die aan alle vrijwillige actie voorafgaan en die volstrekt onafhankelijk zijn van de macht van de wil. (…) Wij houden onszelf niet alleen verantwoordelijk voor de welbewuste daden van de wil, dus voor daden van welbewuste zelfdeterminatie, die zowel kennis als wilskracht veronderstellen, maar ook voor de emotionele, impulsieve daden, die aan alle welbewuste daden voorafgaan; en niet alleen voor zulke impulsieve daden, maar ook voor de principes, disposities of immanente toestanden van het verstand, waardoor zijn acties, of ze nu impulsief of welbewust zijn, gedetermineerd worden. Wanneer een mens overtuigd wordt van zonde, veroordeelt zijn geweten hem niet zozeer vanwege specifieke daden van overtreding als wel vanwege de permanente toestanden van zijn gemoed: zijn zelfzuchtigheid, wereldsgezindheid en boosaardigheid; zijn ondankbaarheid, ongeloof en hardheid van hart; zijn gebrek aan de juiste affecten, aan liefde tot God, aan ijver voor de Verlosser en aan welwillendheid jegens de mensen. Dit zijn geen daden. Het zijn geen gemoedstoestanden die onder controle van de wil staan. Maar toch maken ze in het oordeel van het geweten –dat we niet tot zwijgen kunnen brengen of kunnen verdraaien– ons karakter uit en zijn ze een rechtvaardige grond voor veroordeling. (Systematic Theology, II.107)

Hodge laat het hier niet bij. Hij levert een Schriftuurlijk argument voor deze opvatting en concludeert:

Daarom, de ontkenning dat disposities of principes, in onderscheid van daden, een moreel karakter kunnen hebben, ondermijnt enkele van de meest duidelijk geopenbaarde doctrines van de Heilige Schrift. (Systematic Theology, II.110)

Het belangrijkste dogma dat hij in gedachten heeft, is dat van de erfzonde. Op dit punt schrijft Hodge:

Alle christelijke kerken ontvangen de dogma’s van de erfzonde en de wedergeboorte in een vorm die niet alleen het principe inhoudt dat disposities, in onderscheid van daden, een moreel karakter kunnen hebben, maar ook dat een dergelijk karakter erbij hoort, of ze nu aangeboren, verworven of ingestort zijn. Het is daarom hoogst onredelijk om als uitgangspunt aan te nemen dat een mens alleen verantwoordelijk kan zijn voor zijn vrijwillige daden of voor hun subjectieve gevolgen, terwijl ons eigen bewustzijn, het universele oordeel van de mensen, het Woord van God, en de universele kerk zo stellig het tegendeel beweren. (Systematic Theology, II.113)

Ik weet dat dit breedsprakig was, maar het belangrijkste punt is dit: wij zijn zondaars van nature en door eigen keus. Feitelijk brengt onze natuur op het meest fundamentele niveau onze keuzes voort. Wij erven een zondige natuur van onze vader Adam, zodat wij tot zonde geneigd zijn. En dat gaat niet alleen over mensen die homoseksuele gevoelens ervaren. Dat gaat over ons allemaal. Homoseksuele gevoelens zijn slechts één variant van ons gevallen bestaan. Maar vergis je niet. Het is niet de enige variant. We zijn allemaal gevallen en we bevinden ons allemaal in dezelfde hachelijke situatie.

Moderne pogingen om homoseksuele gevoelens –of zelfs homoseksuele gerichtheid– uit dit Bijbelse kader te halen, zijn gedoemd te mislukken. Ze leiden tot een oppervlakkig begrip van de zonde en de menselijke conditie, en ze belemmeren mensen om hun behoefte in te zien aan de transformatie die Jezus biedt.

Nog één ding: Hodges beschrijving van de zonde en de natuur van de mens is niet abnormaal. Ze vertegenwoordigt de hoofdstroom van de evangelicale –en vooral de reformatorische– antropologie. Ze is ‘toevallig’ ook de Bijbelse positie.

‘Ik zie een andere wet in mijn leden, welke strijdt tegen de wet mijns gemoeds, en mij gevangenneemt onder de wet der zonde, die in mijn leden is’ (Rom. 7:23).


Denny Burk is professor Bijbelse Studies aan het Boyce College, de faculteit van het Southern Baptist Theological Seminary in Louisville, Kentucky.


Gepubliceerd: 27-05-2021

Gerelateerde artikelen

Een getuigenis van Christopher Yuan

De Amerikaanse Christopher Yuan leefde jarenlang een leven dat gekenmerkt werd door…

„Transgenderideologie vernietigt de vrijheid, uit naam van de vrijheid”

Tijdens de studieconferentie over transgenderisme die op 1 juli 2021 in Alblasserdam…

Ontwikkelingen rond homofilie in het licht van de Bijbel

In de huidige maatschappij zijn diverse zorgelijke ontwikkelingen te signaleren. Er is…