„In hoeverre is het als christen onze plicht om ons kind, familielid, vriend(in) of kennis op hun zonden/fouten te wijzen, terwijl dit de relatie schaadt of deze hierdoor zelfs wordt beëindigd. In hoeverre zijn we als naaste medeplichtig?”
Sommige vragen dringen zich niet op vanuit theorie of debat, maar vanuit het hart van het gezinsleven. Wanneer bijvoorbeeld een zoon ervoor kiest een homoseksuele relatie aan te gaan, kan dat een worsteling oproepen die zich moeilijk laat verwoorden. Het spanningsveld tussen waarheid en liefde, verantwoordelijkheid en relatie, spreken en zwijgen is dan geen abstract vraagstuk meer, maar wordt heel concreet. Met schroom en besef van onze eigen beperktheid willen wij deze worsteling onder woorden brengen.
Relaties en zonde
Op diverse plaatsen roept de Bijbel op tot vermaning (Leviticus 19:17, Mattheüs 18:15) van onze naaste die in zonde leeft. Sterker nog, de Bijbel roept op om afstand te houden van de zonde en soms zelfs ook van de zondaar (Romeinen 12:2,1 Korinthe 15:33, 2 Korinthe 6:14-17, Efeze 5:11). Dit betekent niet dat iedere vorm van omgang met zondaren wordt verboden, want dat zou betekenen dat christenen uit de wereld zouden moeten gaan (1 Korinthe 5:10).
Er is geen algemene, Bijbelse plicht tot corrigeren
Deze oproep staat nooit los van relatie, context en houding. Vermanen is een pastorale handeling, binnen een bestaande vertrouwensband. Dit blijkt bijvoorbeeld uit Mattheüs 18. Het gaat daar over broeders in de gemeente en niet over iedere (familie)relatie. Ook is er geen algemene plicht tot corrigeren. Paulus schrijft dat degenen die geen lid zijn van de gemeente, door God worden geoordeeld (1 Korinthe 5:12). Daaruit mogen we niet afleiden dat we onverschillig moeten zijn tegenover de zonde, maar dat niet iedereen dezelfde verantwoordelijkheid draagt.
Wie vermaant?
Het voorgaande roept de onvermijdelijke vraag op wie dan is geroepen om te spreken. Deze verantwoordelijkheid ligt niet allereerst bij broers, zussen, ooms, tantes of grootouders, maar bij de ouders zelf. Zij hebben immers het ouderlijk gezag, de unieke ouder-kindrelatie en –als zij hun kind hebben laten dopen– de doopbelofte waarbij ze zich voor Gods aangezicht hebben verbonden aan de geestelijke zorg voor hun kind.
Ouders dragen hierdoor, samen met de gemeente, de eerste verantwoordelijkheid ten opzichte van hun kind. Daarmee ligt ook allereerst bij hen de roeping om, waar en wanneer dat mogelijk is, te vermanen. In alle andere gevallen geldt dat een (familie)relatie geen automatisch mandaat schept om iemand te vermanen of aan te spreken, hoe goed de intenties ook mogen zijn. Het gevaar is zelfs dat de relatie beschadigd raakt en de boodschap niet wordt gehoord als iemand zonder ‘voldoende’ relatie spreekt.
Ten slotte laat de Bijbel zien dat de HEERE verschillende mensen op verschillende manieren wil gebruiken. Dat betekent niet dat de waarheid verandert, maar wel dat niet iedereen geroepen is om die waarheid te verwoorden, en zeker niet op hetzelfde moment.
Wie zwijgt, stemt toe? Nee, dat is te kras.
Waarheid en liefde
In Efeze 4:15 wordt de weg gewezen om de waarheid te zeggen in liefde. Hieruit kunnen we heel praktisch concluderen dat onze woorden ruimte moeten laten voor gesprek. Dat we bereid moeten zijn om naar de ander te luisteren en dat we niet alleen moeten spreken om het eigen geweten te ontlasten. Als we niet op deze manier in gesprek gaan, is de vraag gerechtvaardigd: voor wie spreken we eigenlijk?
Natuurlijk kan het geweten dringen om te vermanen over de zonde, maar een argument als ”ik moet mij voor God verantwoorden” kan onbedoeld betekenen: ik moet dit zeggen, ongeacht de gevolgen voor de ander.
Jezus Zelf wijst ons hierin een andere weg. Als Hij sprak, waren Zijn woorden gericht op bekering én behoud, niet op afstand. Hij begon vaak met nabijheid. Hij sprak met de Samaritaanse vrouw voordat Hij haar op haar zonde wees. Hij at met tollenaars en zondaars. En, om niet meer te noemen, Hij beschermde de overspelige vrouw vóórdat Hij zei: „zondig niet meer”.
Jezus heeft nooit de zonde goedgepraat, maar Hij laat ons zien dat de relatie vaak de bedding is waarin waarheid kan worden gehoord.
Een keuze voor verbinding en gebed is geen keuze tegen de waarheid
Zwijgend medeplichtig?
Soms is het niet meer mogelijk om te spreken. Maakt dat het zwijgen schuldig voor God? Dat is te kras. Medeplichtigheid ontstaat niet door zwijgen, maar juist door onverschilligheid. Als het niet langer mogelijk is om met uw kind over God te spreken, kunt u nog wel met God over uw kind spreken – en dat geldt ook voor andere naasten.
Blijven bidden, liefhebben, nabij zijn, beschikbaar blijven: dat zijn geen zwakke alternatieven voor spreken, maar het spreekt juist van diepe liefde. Zwijgen is dan geen lafheid, maar kan juist een uiting zijn van een diep vertrouwen dat God werkt waar wij geen toegang meer hebben.
Ruimte bij God
De Bijbelse houding vraagt om onderscheid (is dit mijn roeping?), om liefde en een pastoraal hart (kan ik dit zeggen zonder de ander te verliezen?) en om afhankelijkheid (God kan werken zonder mijn woorden).
De Bijbel geeft geen simpel schema voor complexe relaties en situaties. Wat de Bijbel wél biedt is een weg van waarheid en liefde, verantwoordelijkheid en voorzichtigheid. Een keuze voor verbinding en gebed is geen keuze tegen de waarheid. Deze keuze is alleen te maken in de hoop dat God ook voor ons onbereikbare mensen wil bereiken en dat bij Hem, door genade, ruimte is voor iedereen die tot Hem vlucht.

Werkgroep Struggel, onderdeel van Bijbels Beraad M/V, is er voor mensen met homoseksuele gevoelens
en bevordert blijvende verbinding tussen hen en hun omgeving.
Dit artikel verscheen op 24 januari in het Reformatorisch Dagblad











