Van zijn 22e tot z’n 34e leidt Richard Oostrum (1962) een leven in de gayscene. Hij is een vaste bezoeker van homobars, gebruikt overvloedig drank en drugs, en heeft verschillende homoseksuele relaties. Tot God hem stilzet. Letterlijk. In de Marnixstraat in Amsterdam.

Een mistige zaterdagochtend. Op het terrein van het voormalige herstellingsoord Heidebeek, bij Heerde, drentelt een groep jongeren rond. „Richard, we hebben een bal nodig. Weet jij waar die is?” vraagt een van hen in het Engels als Oostrum voor het interview het pand van zijn werkgever, Jeugd met een Opdracht, binnenloopt. Even later rolt er een bal over het naastgelegen grasveld.

„Deze mensen volgen hier de discipelschap training”, legt Oostrum uit. Hij werkt sinds 1998 bij de internationale zendingsorganisatie Youth with a Mission, die wereldwijd meer dan 500 zendings- en trainingslocaties telt.

„Heidebeek is dus een van de Nederlandse locaties”, vertelt Oostrum. „Van hieruit werk ik als voorlichter en pastoraal medewerker rond het thema seksuele diversiteit. Dit houdt in de praktijk in dat ik bij kerken help met pastorale toerusting, lezingen geef over schepping, identiteit en seksualiteit, en persoonlijke gesprekken voer met gelovigen die worstelen met hun seksuele gerichtheid en het volgen van de Heere.”

Ooit was u zelf een jongere die worstelde met homoseksuele gevoelens. Wanneer ontdekte u dat?
„Toen ik in de tweede van de middelbare school zat, kreeg ik een seksuele droom over een jongen uit mijn klas. Ik schrok ervan, het maakte me onrustig en onzeker. In de maanden erna werd het voor me steeds duidelijker dat ik op jongens viel. Uiteindelijk duurde het tot mijn 23e voor ik het mijn ouders vertelde, omdat ik toen voor het eerst een relatie met een jongen had.”

Hans Frinsel schreef een boek over u, met de titel ”Keerpunt – van gaysportman tot echtgenoot en vader”. In de eerste hoofdstukken benoemt u een aantal zaken uit uw jeugd die volgens u invloed hebben op de ontwikkeling van homoseksuele gevoelens. Bijvoorbeeld de niet al te beste relatie met uw vader. Kunt u dat uitleggen?
„Mijn vader was semi-profvoetballer geweest. Wanneer vrienden of familie ’m vroegen of ik hem zou opvolgen, zei hij steevast: „Richard? Die schopt nog geen deuk in een pakkie boter.” Hoewel het grappend was bedoeld, had het voor mij verstrekkende gevolgen. Ik voelde steeds: ik zal nooit zo goed worden als mijn vader. Er waren verwachtingen die ik niet kon waarmaken. Daardoor stelde ik me als kind afstandelijk op richting mijn vader en andere mannen. Achteraf bezien denk ik dat er in die tijd al verwijdering ontstond tussen mij en het mannelijke in mezelf.”

Wat bedoelt u daarmee?
„Mijn zelfvertrouwen was als kind al heel laag. Dat had vast ook andere oorzaken. Ik was bijvoorbeeld nogal gezet. Door die factoren was er diep vanbinnen een enorme onzekerheid, het gevoel niet volwaardig te zijn. Dat zijn elementen die de ontwikkeling van je seksuele gevoelens beïnvloeden.”

Als basisschoolkind zag u ooit per ongeluk heteroseksuele pornografie, vertelt u in het boek. Was dat ook zo’n factor die de ontwikkeling van uw seksuele gevoelens beïnvloedde?
„Dat denk ik, ja. Ik controleerde als kind regelmatig de glasbak in de buurt, om te zien of er ongebroken flessen in lagen waar statiegeld op zat. Dat leverde een leuk zakcentje op. Op een ochtend haalde ik geen fles, maar een soort boekje uit de glasbak. Het bleek een vunzig pornografisch blad. Ik was negen en zag dingen die ik niet had moeten zien. De foto’s van naakte vrouwen vervulden me met walging. Het was een te heftige en te vroege confrontatie die een heel verwrongen beeld achterliet.”

„Ik bad elke avond voor het slapengaan. Dan praatte ik even met een God die ik niet kende. Ook als ik dronken uit de homobar kwam, sliep ik niet voor ik gebeden had”

In groep vijf maakte u kennis met het geloof. Hoe ging dat?
„Religie speelde geen rol in ons gezin. Ik zat op een openbare school. In groep 5 kregen alle leerlingen de keuze om één uur per week handvaardigheid of godsdienst te volgen. Ik hield van mooie verhalen, dus ik koos voor godsdienst. En zo luisterde ik wekelijks naar een Bijbelverhaal dat dominee Steenhuizen kwam vertellen. De lessen eindigden altijd met gebed en op een keer vertelde de dominee dat we dat thuis ook konden doen, bidden. „En dan kun je eindigen met: in Jezus naam, amen.” Vanaf dat moment bad ik elke avond voor het slapengaan. Dan praatte ik even met een God die ik niet kende. Ook als ik dronken uit de homobar kwam, sliep ik niet voor ik gebeden had.”

In de tijd dat u homobars bezocht, was aids een gevreesde ziekte in de gaywereld. Daar heeft u van dichtbij mee te maken gekregen; uw derde partner overleed aan aids. Wat deed dat met u?
„Tot die tijd was mijn leven in de gayscene relatief rustig. Maar na dat overlijden in 1994 ben ik behoorlijk losgeslagen.

Al van kinds af aan deed ik aan wedstrijdzwemmen. Daarin was ik behoorlijk succesvol. Nadat mijn toenmalige vriend was overleden, stortte ik me volledig op deelname aan de Gay Games in New York. Misschien wel als uitvlucht, om niet te lang bij het overlijden stil te staan.

De Gay Games vond ik geweldig. Iedereen was er gelijk. De gaylifestyle werd er volop gevierd. Het was een feest van tolerantie en eensgezindheid. Toen ik terugkwam, focuste ik me helemaal op de organisatie van het sportevenement in 1998. Dat zou voor het eerst buiten Amerika plaatsvinden, in Amsterdam. Daar móést ik bij zijn.”

Zo ver kwam het niet.
„Nee. Ik was er wel, trouwens. Niet als sporter, maar als evangelist. Dat heeft alles te maken met wat er in november 1996 gebeurde.

In de maanden, of eigenlijk járen ervoor dacht ik regelmatig na over het geloof. Hoe schijnbaar leuk en wild mijn leven ook was, ergens voelde ik een gigantische leegte in mijn hart. Een gapend gat, een knagende onbevredigdheid. En steeds waren er gebeurtenissen die me bij God bepaalden. Op een gegeven moment kocht ik een Bijbel en las die, want ik voelde ergens dat alleen de onbekende God waar ik iedere avond mee praatte, mijn innerlijke leegte kon vervullen. Maar ook al groeide die overtuiging, toch probeerde ik mijn onbevredigde hart steeds weer te vervullen met seksuele uitspattingen in de homowereld.

En zo liep ik op een grijze novemberochtend naar de dagsauna in een zijstraatje van de Marnixstraat, een homogelegenheid. Ik was er bijna, maar ineens werd er aan me getrokken. Ik stond stil. Het leek alsof er touwen aan mijn rug zaten die me tegenhielden. Onwillekeurig keek ik achterom, want het gevoel van de terugtrekkende kracht was zó werkelijk. Ik raakte even de kluts kwijt, maar werd al snel overweldigd door het besef dat het God was die me tegenhield. Hij maakte op een onontkoombare manier duidelijk dat ik niet verder moest gaan. Dat ik me moest omkeren.

Door die confrontatie met God wilde ik meer van Hem te weten komen. Ik ging naar een willekeurige christelijke gemeente. Van de preek kreeg ik weinig mee. De onbekendheid met het alles gaf me veel spanning. Toen het afgelopen was, probeerde ik zo snel mogelijk te ontsnappen. Maar er was een vrouw die me aansprak en een kopje koffie aanbood. We raakten aan de praat. En tijdens dat gesprek heeft zij mij geduldig en eenvoudig bekend gemaakt met het evangelie. Het heerlijke evangelie dat Jezus voor zondaren aan het kruis is gestorven, en dat Hij ook míjn zonden wilde vergeven. En toen kon ik niet anders dan dat gelovig omhelzen.

De weken erna las ik steeds als ik uit mijn werk kwam in de Bijbel. Ik dronk de woorden in. Er was nog maar één Iemand in mijn leven die mijn aandacht opeiste: God!”

„Ik was door het Woord tot de conclusie gekomen dat mijn identiteit in de kern niet in mijn seksuele oriëntatie ligt, maar in Christus”

U bent in 2001 getrouwd, met een vrouw. Hoe is dat mogelijk?
„Begrijpelijk dat mensen zich dat afvragen. Het is ook niet de weg die ik zelf voor ogen had. Laat ik weer even teruggaan naar 1996. De vrouw die mij in die kerk had aangesproken, vertelde me later ook over de schepping en Gods bedoeling met het huwelijk. Ik begreep dat het uitleven van mijn homoseksuele gevoelens niet strookte met Gods wil. En het bijzondere is dat ik na het moment in de Marnixstraat nooit meer seksueel contact ‘oude-stijl’ heb gehad. Ik ervaarde na de bekering krachtig dat Gods Geest mij vernieuwde, dat de seksuele lust me niet meer beheerste – terwijl ik er echt stevig aan verslaafd was. Toch bleef het een worsteling, want de homoseksuele gevoelens waren er soms nog wel. Maar ik was door het Woord tot de conclusie gekomen dat mijn identiteit in de kern niet in mijn seksuele oriëntatie ligt, maar in Christus. Dat is de nieuwe schepping, zoals Paulus daarover schrijft in 2 Korinthe 5 vers 17: ‘Indien iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel’.”

Hoe kan u dan tot een heteroseksueel huwelijk zijn gekomen?
„Die vrouw uit de kerk had door dat ik worstelde met mijn gevoelens. Ze wees me op de hulpverlening van EHAH, wat later de naam Different kreeg – een onderdeel van Tot heil des volks. Door de pastorale gesprekken daar, ben ik gaan nadenken over wat mijn homoseksuele gevoelens over mij en mijn leven zeiden. Wat er qua identiteitsvorming allemaal is gebeurd. Ik had in mijn jeugd te maken gehad met afwijzing, vernedering, schaamte, minderwaardigheid. Daardoor werden de heteroseksuele gevoelens die ieder mens diep vanbinnen heeft, altijd onderdrukt. Ze hadden nooit de kans gekregen zich te ontwikkelen.

Na mijn bekering kreeg ik pas een gezond zelfvertrouwen. Dat kwam door die hulpverlening, en de achterliggende reden is dat je als mens voor God niet aan bepaalde voorwaarden hoeft te voldoen. Je hoeft alleen maar Jezus te volgen, met al je moeilijkheden, vragen en gebrokenheid. En dat is niet makkelijk, maar de Heere wil je daarbij helpen.”

Maar, veranderde uw seksuele gerichtheid doordat u Jezus ging volgen?
„Nee, niet direct. Weet je, in het nieuwe leven was mijn focus volledig gericht op het volgen van de Heere. Dat was voor mij zo vervullend dat er nauwelijks gevoelens of gedachten op seksueel gebied waren. Toch kon het zo maar gebeuren dat ‘oude’ gevoelens weer naar boven kwamen, maar die kon ik dan de plaats geven die ze toekomen.

Ik dacht dat ik altijd alleen zou blijven, en dat vond ik prima. Ik zag er Gods wil in, omdat er het verlangen was om de zending in te gaan. Ik dacht dat ik als Paulus in m’n eentje de wereld over zou trekken om mensen het evangelie te vertellen. Maar Gods wil was anders. Ik voelde vanbinnen dat mijn man-zijn zich herstelde. Zoals ik al zei: er kwam een gezond zelfvertrouwen. En er kwamen gevoelens voor vrouwen. Ik geloofde vroeger ook niet dat het kon. Toen ik nog in de gayscene zat, hoorde ik van homo’s die tot bekering waren gekomen en met een vrouw trouwden. Daarvan dacht ik altijd: die zijn niet goed in hun hoofd. Uiteindelijk werd ik een van hen. Want ik werd verliefd op de vrouw die de Heere mij gegeven heeft. We zijn al bijna twintig jaar getrouwd en hebben een zoon.”

U bent dus van homo hetero geworden?
„Nee. Dat hoor ik vaak, maar dan zeg ik altijd: „Ik was een verloren mens, maar ik ben gevonden.” En het is Gods wil dat mijn seksuele gevoelens daardoor zijn veranderd, maar dat zal niet bij iedere homoseksuele christen zo zijn. De meesten ervaren die gevoelens als een kruis dat God ze geeft, en dragen dat kruis achter Jezus aan. Zo stond ik er ook in, maar God had een ander plan met mijn leven. En zo gaat Hij in Zijn wijsheid met iedereen een andere weg.”

Maar is het vorige nu helemaal weg? Wat gaat er door u heen als u een aantrekkelijke man ziet?
„Dan denk ik: wat een aantrekkelijke man. Net als bij een aantrekkelijke vrouw. Als ik dat zeg op scholen waar ik voorlichting over homoseksualiteit geef, hoor ik altijd: „Maar dan bent u dus bi.” Het maakt me niet uit wat voor sticker mensen erop willen plakken. Het enige dat ik weet, is dat ik wil leven zoals de Bijbel het van me vraagt. Dat betekent: of celibatair, of in een huwelijk met een vrouw.

Trouwens, dat ik een man aantrekkelijk vind, betekent niet dat ik er seks mee wil. Die twee zaken lijken in onze maatschappij haast onlosmakelijk aan elkaar verbonden, maar zo is het niet. Wat mij aantrekt in iemand is vaak iets waar ik zelf onzekerheid over ervaar. Dus mannen en vrouwen die wél een deuk in een pakkie boter schoppen, daar voel ik me snel toe aangetrokken.”

Dat u nu heteroseksuele gevoelens hebt, zal voor sommige mensen hoopgevend zijn. Zo van: het kan dus toch.
„Mijn levensverhaal is absoluut niet maatgevend. Er zijn weliswaar meerdere mannen met een vergelijkbaar levensverhaal, maar zo gaat het meestal niet. Ik heb weleens horen vertellen dat iemand met zijn homoseksuele gevoelens naar buiten kwam, en hem werd verteld: „Je hoeft helemaal geen homo te zijn. Kijk, ik heb hier een boekje waar instaat dat God je kan genezen.” Als ik zoiets hoor, ga ik gillen, want dat is helemaal niet waarvoor ik mijn levensverhaal zwart op wit heb gezet.”

Word je als homo geboren?
„Daar is geen wetenschappelijk bewijs voor. Eind 2019 is er een lijvig rapport verschenen van onderzoek onder honderdduizenden Britten naar de erfelijkheid van homoseksualiteit. De conclusie was: we kunnen opnieuw niets vinden wat duidt op een homo- of heterogen. Dat onderstreept mijn vermoeden dat de invloed van omgevingsfactoren weleens veel groter kan zijn dan in de Westerse wereld altijd geroepen wordt.”

Dat gebeurtenissen en ervaringen in iemands jeugd homoseksuele gevoelens kunnen veroorzaken, bedoelt u?
„Exact. Ik werk nu al ruim twee decennia in de hulpverlening aan mannen en jongens die met homoseksuele gevoelens worstelen en daar op een Bijbelse manier mee willen omgaan. En wat ik van veel van hen hoor, is dat de relatie met hun vader vroeger beroerd was, of dat er op emotioneel vlak gewoon géén relatie met hem was. Nu weet je niet of dat oorzaak of gevolg van hun seksuele gevoelens is, maar ik vind het opvallend.”

„Ik zal de eerste zijn die zegt dat je mensen met homoseksuele gevoelens liefdevol moet behandelen, maar dat doe je niet door ze een on-Bijbelse weg te wijzen”

Hoe kijkt u naar ontwikkelingen in het denken in de christelijke wereld over de lhbt-beweging?
„Ik vind het heel verontrustend dat veel organisaties die in naam christelijk zijn, niet meer vasthouden aan Genesis 1 en 2. Die schuiven steeds meer op naar de liberale kant. We moeten met onze tijd meegaan, zeggen ze dan. Maar wie aan Genesis 1 en 2 zit, zit aan de wil van God. En dat kan echt niet. God is te heilig om Zijn wil om te vormen naar jouw wil.”

Snapt u waarom die christelijke organisaties de liberale kant opschuiven?
„Ja, ze doen dat uit bewogenheid met hun naaste. En bewogenheid is goed. Ik zal de eerste zijn die zegt dat je mensen met homoseksuele gevoelens liefdevol moet behandelen, maar dat doe je niet door ze een on-Bijbelse weg te wijzen.”

Hoe dan wel? Wat zou een christelijke gemeente concreet kunnen doen om een veilige plaats te zijn voor mensen met niet-heteroseksuele gevoelens?
„Kijk naar ze om. Nodig ze bij je thuis uit. Laat ze bij het avondeten aanschuiven. Het zit ’m in kleine dingen. Als je die mensen maar liefhebt zoals Jezus ze zou liefhebben. Dat is het belangrijkste.”

Hoe kan het dat christelijke-organisaties-met-liberale-neigingen met de Bijbel in de hand zo lijnrecht tegen de Bijbelse visie op het huwelijk ingaan?
„Het probleem is dat de discussie vaak vanuit het verkeerde uitgangspunt wordt gevoerd. We zijn allemaal gebroken mensen, zegt men dan. Maar het uitgangspunt van ons handelen moet niet onze gebrokenheid zijn, maar Gods goede plan. De Bijbel begint toch niet bij Genesis 3? Juist in die twee hoofdstukken ervoor staat hoe God de mens, het huwelijk en seksualiteit heeft bedoeld. Dát is ons startpunt.

Je hoort ook vaak: Je mag zijn wie je bent. Maar wie ben je dan? Als christen ben je toch allereerst een kind van God, een volgeling van Christus? En verder kun je over ieder mens nog wat andere dingen zeggen: man, vrouw, homo, hetero, journalist, hulpverlener, blond, blank, bruin. Maar daar ligt je identiteit toch niet in? Je bent in de eerste plaats christen. En daarmee wil je, als het goed is, in de eerste plaats luisteren naar de Bijbel; niet naar de heersende opvatting in een maatschappij. Laten we alsjeblieft op blijven komen voor hoe God de mens en het huwelijk bedoeld heeft – en daar is de Bijbel glashelder over.”

Wat is de grootste bedreiging voor onze maatschappij?
„Dat er in de samenleving geen plaats meer is voor de Bijbel. En dat we geen getuigenissen meer hebben van het werk van God in mensenlevens. Juist in deze gebroken samenleving is het zo nodig dat christenen de liefde van Christus uitstralen. Dat ze laten zien hoe goed het is om Bijbels te leven. De satan zal zijn verwoestende werk voortzetten, en dat is een bedreiging voor de hele mensheid, maar de kracht van Gods Geest is altijd sterker. Dat is onze hoop!”

Gerelateerde artikelen

Massale bijval voor kritisch Telegraaf-artikel over genderkoek

Zet kinderen niet onder druk met genderkeuze, kopte de Telegraaf vrijdag 19…

Interview: Als refomeisje stiekem een lesbische relatie

Bijna haar hele studententijd heeft de reformatorische Elsemieke* een lesbische relatie. Stiekem,…

Misbruikt door je broer: „Ik weet nog steeds niet wat vergeven inhoudt”

Simone de Gier werd als kleuter door haar broer seksueel misbruikt. Ruim…

Interview: „Ik voelde me te vies om te bidden”

Voor zijn familie en vrienden was Willem* een serieuze, nette reformatorische jongen.…