Een Bijbelstudie over de zegen van tweepoligheid 

Op een paspoort staat je geslacht. M of V. Meer keuzes zijn er (nog) niet. Dat vonden we altijd logisch: er zijn immers mannen en vrouwen, that’s it! Maar nu is dat zo logisch niet meer. Er zijn mensen voor wie het geslacht een groot vraagteken is of die graag van geslacht willen veranderen. Deze vormen naar verhouding een kleine groep, maar toch zijn er steeds meer mensen die eigenlijk wel graag van dat ”man/vrouw” af zouden willen. 

Waarom indelen in twee soorten?
Waarom zou je de mensheid indelen in die twee soorten? Waarom zou mijn man-zijn het meest bepalend zijn voor wie ik ben, in plaats van bijvoorbeeld mijn (gebrek aan) creativiteit, mijn IQ of mijn voorkeur voor de kleur groen? Er is een heel eenvoudig antwoord. Als een vader en moeder een baby ontvangen, dan is hun eerste vraag: Is het een jongen of een meisje? Dat is het enige echt duidelijke verschil immers! Dat biologische feit is er. Dat is eenvoudig genoeg, maar de vraag blijft toch hoeveel dat er nu toe doet.

Die vraag moeten we ook stellen vanuit de Bijbel. Is het voor een christen nu echt belangrijk? Zijn er dan niet twee andere dingen belangrijk? In de eerste plaats, bedoelen we met „er zijn twee soorten mensen” toch: gelovigen en ongelovigen, geredden en verlorenen? Er zijn immers twee poorten en twee wegen (Mattheüs 7:13-14). Dus vérdere verschillen zijn niet bepalend, lezen we in Galaten 3:28. Rijk of arm doet er niet toe, blank of bruin niet, en dus ook man en vrouw niet – maar het toebehoren aan Christus.

In de tweede plaats kun je zeggen, dat er niet slechts twee soorten mensen zijn, maar oneindig veel. Ieder mens is uniek. Uniek geschapen en uniek begaafd. Christenen hebben „verscheidene gaven, naar de genade die ons gegeven is” (Romeinen 12:6). Niet één vrouw is hetzelfde als een andere vrouw, geen man is hetzelfde als een andere man. Sterker nog, sommige vrouwen hadden meer mannelijke eigenschappen, zoals moed – denk aan Debora. Sommige mannen hadden juist naar verhouding veel van bepaalde vrouwelijke eigenschappen, zoals zorgzaamheid – denk aan de apostel Johannes. Mannen deden ook ‘vrouwenwerk’ zoals naaiwerk (Exodus 31:10), en vrouwen waren betrokken in het ‘mannenwerk’ van de verkondiging van het Evangelie (Romeinen 16:12). Kortom: als er zo’n verloop en verscheidenheid is, is het verdelen van de mensheid in mannen en vrouwen dan niet vooral een verarming?

Hierop past slechts een „Neen!” Het is geen verarming maar een verrijking als we man en vrouw goed onderscheiden! Daar valt vanuit de praktijk veel over te zeggen, maar in dit artikel trek ik enkele Bijbelse lijnen. Niet vanuit één bepaalde Bijbeltekst, maar door de Bijbel heen.

Tweevoud in de schepping
Bij het denken over man en vrouw kun je niet om Genesis 1:27 heen. Opmerkelijk, dat bijna het eerste wat er over de mens gezegd wordt is, dat deze geschapen is „man en vrouw.” Dat kun je zien als een historisch feit: de eerste twee mensen waren nu eenmaal man en vrouw – geen vader en zoon, of Egyptenaar en Mesopothamiër. Maar de grondtaal maakt duidelijk dat het om meer gaat, omdat er staat, net als in Galaten 3:28: „mannelijk en vrouwelijk.” Ze zijn als het ware geschapen in de categorie ”man” en in de categorie ”vrouw”. God heeft daarin een grondpatroon gelegd. Zoals Hij dat deed in heel Zijn scheppingswerk. Hij (onder)scheidde dag en nacht, nat en droog, onder en boven, mens en dier, et cetera. De orde in deze wereld is niet maar toevallig. Niet maar een kwestie van hoe wij ernaar kijken. Ze hoort wezenlijk bij de wijze waarop God geschapen heeft. Natuurlijk bestaat er schemer, maar het echte onderscheid is dat van licht en duisternis. Er is moeras, maar toch is land geen zee, en andersom. En vergelijkbaar heeft de Schepper in Zijn schepping de tweepoligheid van man en vrouw ingesteld.

Het man- en vrouw-zijn is dus iets anders dan de andere tweetallen in Galaten 3:28 en Kolossenzen 3:11. Laten we ze eens langs lopen. Jood en Griek – dat onderscheid is wel heel fundamenteel, maar het kan worden opgeheven: een Griek kan besneden worden. Barbaar en Scyth – wij met onze racistische neigingen kunnen dat verschil wel opblazen, maar het doet er niet wezenlijk toe. Knecht en vrije (rijk en arm) – dat is een onderscheid dat ontstaat door menselijk handelen. Natuurlijk zit daar ook wel een bepaalde orde in, maar geen scheppingsorde. „God heeft die beide gemaakt”, zegt Spreuken 22:2, maar dat betekent dat ze allebei schepsel van God zijn, en niet dat God de mens geschapen heeft als verdeeld in twee groepen: armen en rijken. 

Zo is het wel bij man en vrouw. Waarom? Daarover valt genoeg te zeggen, maar laten we eerst maar constateren dát het zo is. Het is de wijsheid van de Schepper om te bepalen dat Zijn schepping op deze manier de beste ordening bevat. En dat bepaald niet uit armoede, alsof Hij niet meer geslachten kon bedenken (vergelijk Maleachi 2:15)! Het is als bij de tekst die u nu leest. Misschien las u net hiervoor wel héél iets anders. Maar er is een overeenkomst: allebei was het (waarschijnlijk) opgebouwd uit slechts twee kleuren, namelijk zwart en wit. Die twee kleuren zorgen voor orde, rust, duidelijkheid. Zij maken variatie niet ongedaan maar juist mogelijk! Wit (elektronisch) papier heeft zwarte letters nodig en zwarte letters hebben wit papier nodig, en dán kunnen er teksten ontstaan: een verhaal, een gedicht, een Bijbelstudie, een wiskundesom.

God schiep dus de tweevoudigheid van man en vrouw, en dat is na schepping en zondeval zo gebleven (Genesis 5:2, vergelijk bijvoorbeeld Deuteronomium 4:16, Markus 10:6). Wie die helderheid verliest, verliest ook het zicht op de orde van Gods schepping. 

Maar wat als je nu worstelt met je eigen geslacht: je bent vrouw, maar je verlangt (of denkt zelfs) man te zijn? En wat als je je wel echt vrouw voelt, maar je hebt moeite met de traditionele rolverdeling? Zouden we dan niet geholpen zijn als het allemaal wat minder zwart-wit was, meer fluïde, meer veranderlijk? Nee, dat lijkt wel eens zo (omdat onze cultuur dat roept), maar dat is de oplossing niet. Een (al te) simpel voorbeeld. Stel je voor dat je bang bent in het donker (nyctofobie). Zou het dan helpen als je keihard roept: „Ik vind dat het nu dag is!” Of zou het helpen als we niet meer het verschil hadden tussen dag en nacht, maar dat het altijd schemerig was? Welnee! De afwisseling van dag en nacht is door God geschapen. Die hebben we nodig, en het beste kunnen we maar leren daar goed mee om te gaan, zelfs als de nyctofobie echt heel diep zit. De werkelijkheid moet zich niet aanpassen aan onze wensen, maar ons leven moet gericht worden naar de werkelijkheid. Omdat die Gods werkelijkheid is. 

Dat kan soms echt een heftige worsteling zijn. Omdat die crisis over wie je bent nog zo veel dieper kan zitten dan een fobie. Daarin hebben we de hulp van de Schepper Zelf nodig (vergelijk Psalm 94:9). Worstel dan niet tegen de Schepper maar met de Schepper! In dergelijke worstelingen zijn identificatiefiguren heel waardevol: mannen en vrouwen die geleerd hebben (ondanks zichzelf) hun roeping als man c.q. vrouw te verstaan. Daarbij helpt trouwens ook iets als kleding (vergelijk Deuteronomium 22:5): ook als je jezelf niet heel erg vrouwelijk (of mannelijk) voelt, je mag er zo toch iets van uitstralen. 

Tweevoud in het gezin
Man en vrouw zijn er om elkaar aan te vullen (Genesis 2:18), maar dat niet alleen. Zij zijn er ook om samen kinderen op te voeden (Genesis 1:28). Dat opvoeden in je eentje moeilijk is, dat weten allen die alleen zijn komen te staan. Je hebt iemand nodig om mee te overleggen. En het helpt, als die ander een eenheid vormt met jou, maar toch ook echt anders. Natuurlijk, dat zullen ook diegenen ervaren die als twee vrouwen of twee mannen samen een kind opvoeden: zij zijn ook elk verschillend. Maar dat betekent nog niet, dat het niet uitmaakt dat er een man en een vrouw, een vader en een moeder zijn!

Hét Bijbelboek voor de opvoeding, Spreuken, laar hier iets van zien als het zegt: „Mijn zoon, hoor de tucht van uw vader en verlaat de leer van uw moeder niet.” (Spreuken 1:8) Een vader en moeder zijn samen nodig, niet alleen om elkaar aan te vullen in dingen die zij over het hoofd zien, maar ook om elkaar aan te vullen in wie zij zijn. En de HEERE vergelijkt Zich met die beide! 

Dat Hij Zichzelf Vader noemt, dat is natuurlijk overbekend. Zo leert Christus het ons onder andere in Zijn bekende gebed. Een vader is geroepen zich te richten op zulk vaderschap, en kinderen herkennen iets van God in een goede vader. En in een goede moeder? Zeker ook. God vergelijkt Zichzelf een enkele keer expliciet met een moeder, zie bijvoorbeeld Jesaja 49:15 en Jeremia 31:20. Maar fundamenteler is, dat één van Zijn wezenlijke eigenschappen heel ‘moederlijk’ is. Het woord barmhartigheid is in het Hebreeuws hetzelfde woord (rkm) als baarmoeder, een vrouwelijk orgaan bij uitstek. De ontferming van een moeder over haar baby is een symbool van de ontferming van de HEERE over Zijn kind (Psalm 131).

Dat gebruikt de Bijbel nergens, om in moderne zin te spreken over ‘het vrouwelijke in God’. Het laat echter wel zien, dat ook het vrouwelijke, moederlijke zijn vervulling vindt in God. God is de enige die alle mogelijke goede eigenschappen volmaakt in Zichzelf kan verenigen. Wij mensen vertonen op zijn best maar een klein stukje daarvan. En hoe heeft God het kennelijk bedoeld? Dat bij vaders en moeders weer een andere heerlijke eigenschap van God zou oplichten. Dus het vasthouden aan het onderscheid tussen man en vrouw is een erkenning van de beperktheid van een mens en de volheid van God!

Tweevoud in de gemeente
En in de gemeente dan? Heeft het daar meerwaarde dat er mannen en vrouwen zijn, dat mannen een andere taak hebben dan vrouwen? Laten we beginnen met te constateren dát het zo is. Denk maar aan 1 Korinthe 14:34 en 1 Timotheüs 2:12 (voor uitleg over deze en dergelijke teksten die tonen dat het ambt voorbehouden is aan mannen zie o.a. https://gereformeerdebond.nl/boeken-brochures/brochures-downloads/mannelijk-en-vrouwelijk-schiep-hij-hen). Maar het voelt al snel als een beperking: „Vrouwen mogen niks.” Het kan echter niet anders dan een verrijking zijn, als de eeuwig rijke God het zo heeft ingesteld!

De gemeente is een plaats die bij uitstek bedoeld is om te leren met God te leven. Daarvoor geeft God Zijn Woord, daartoe zendt Hij Zijn Heilige Geest, en ook met het oog daarop ordent Hij het kerkelijk leven (zie 1 Korinthe 14:40). En wat wordt er dan in de kerk zichtbaar? „Dat Christus het Hoofd is van iedere man, en de man het hoofd van de vrouw, en God het Hoofd van Christus.” (1 Korinthe 11:2) De tweevoudigheid van man en vrouw toont ons iets van de drievuldigheid van God (zie ook Genesis 1:26): De Zoon Christus Die als Middelaar onderworpen is aan God (1 Korinthe 15:27-28). Het toont nog meer het verschil tussen Christus en Zijn gemeente. Een heerlijke gedachte! In de ordening van de gemeente worden we stilgezet bij de onvatbaarheid van Wie God is en de onbevattelijkheid van Zijn grote gave. We worden opgewekt om ons te verwonderen over Zijn gevende liefde en ons te onderwerpen aan Zijn liefdevolle leiding. Zie hiervoor uitvoerig Efeze 5.

Dit is voor Paulus zo rijk en zo belangrijk, dat hij ons nóg een aanwijzing geeft voor mannen en vrouwen in de eredienst. Niet alleen dat slechts mannen geroepen zijn om leiding te geven, maar ook dat álle mannen geroepen zijn om iets van Christus zichtbaar te maken, en álle vrouwen om iets van de gemeente zichtbaar te maken (1 Korinthe 11). De vrouw draagt lang haar, de man niet. De man gaat blootshoofds, de vrouw niet. Hij schrijft erbij, dat dit is omwille van de engelen (1 Korinthe 11:10). Er wordt wel gedacht dat dit is omdat zij waken over de heiligheid van Gods gemeente. Maar misschien is het ook wel dit: bij de engelen is geen onderscheid tussen man en vrouw; déze rijkdom missen zij. Als ze zich dan met mensen inlaten, zien ze iets moois dat door hun Schepper gemaakt is. En als zij dan in een christelijke gemeente aanwezig zijn, dan zien ze (als het goed is) iets nog mooiers: mannen en vrouwen die geleerd hebben om zich gelovig te voegen naar de orde van hun Schepper en Verlosser.

En straks dan, als de gelovigen zullen zijn „als de engelen Gods in de hemel”? (Matth. 22:30) Als dan het huwelijk vervallen is, valt dan niet ook het man- en vrouw-zijn weg, net zoals bij de engelen? Ik geloof niet dat de Bijbel daar aanleiding voor geeft. Al is het maar hierom: de eeuwigheid is de bruiloft van het Lam. Dan heeft de Bruidegom Zijn bruid eindelijk volmaakt, dan is de bruid geheel toebereid voor haar Bruidegom. Als er ooit sprake is van Man- en vrouw-zijn, dan dus hier wel! Zouden dan mensen niet ook in dit opzicht Zijn beeld weerspiegelen, evenals dit toen zij nog op aarde waren in de gemeente gebeurde? In de herschepping wordt de schepping niet opgeheven maar verheven! Er is reden om te menen, dat een man nooit zo ten volle man-naar-Gods-hart is geweest als hij dan zal zijn, en bij een vrouw net zo. Dan zullen wel alle menselijk-gemaakte verschillen wegvallen, vooral alle vormen van discriminatie, van verachting en zelfverheffing. Want daar wordt ook Galaten 3:28 ten volle waar: „Daarin is […] geen man of vrouw, want [zij zijn] alle één in Christus Jezus.” En in dat licht is dat wat aan het begin van dit artikel stond inderdaad waar: er zijn maar twee soorten mensen: zij die Hem aanhangen en zij die Hem afwijzen.

Gerelateerde artikelen

Het mooiste liefdeslied – praktische lessen uit Hooglied #10 (slot): eenkennig zijn & ronddolen in liefde

In het boek Hooglied bezingt Salomo de liefde tot zijn bruid. Op…

Over biddende mannen

In zijn eerste brief aan Timotheüs schrijft Paulus onder andere over het…

Het zevende gebod #15 – Geen kinderen

De Heidelbergse Catechismus behandelt het zevende gebod kort, kernachtig. Over de rijke…