De gereformeerde predikant Ludovicus Gerardus van Renesse (1599-1671) publiceerde in 1639 een boek over Gods heilige voorzienigheid in het komen tot een huwelijk. De titel van de eerste druk van dit werk, dat ten minste achtmaal herdrukt werd en nog steeds enige bekendheid geniet, luidde: Vier boecken van de voorsienigheyt Godts in het beleydt der houwelycken. In dit boek stelt hij ook aan de orde dat kinderen die willen gaan trouwen, de plicht hebben om daarvoor toestemming aan hun ouders te vragen. Het is precies dat gedeelte dat we hieronder ter lering en opscherping hebben overgenomen.
Toen ds. Van Renesse dit boek publiceerde, was hij zelf reeds op 26 juni 1638 – na een huwelijk van 15 jaar – weduwnaar geworden van Anna Pinella, die oorspronkelijk uit Genève afkomstig was. Hij bleef in de pastorie te Maarssen achter met vijf kinderen, van wie de jongste twee, een tweeling, nog maar 9 jaar oud waren. Het laat zich begrijpen dat hij als predikant in deze droeve en moeilijke situatie ernaar uitgezien heeft om opnieuw in het huwelijk te treden. Die wens ging op 14 juni 1639 in vervulling, toen hij te Breda, waar hij inmiddels predikant geworden was, trouwde met Digna Beens (?-1661), een dochter van de Bredase burgemeester Willem Beens. Toch was het niet in de eerste plaats deze situatie die hem ertoe aangezet heeft om het genoemde boek te schrijven, maar “vele geleerde en Godzalige lieden” hadden hem verzocht uitgebreid te antwoorden op de vraag of “de huwelijken in de hemel besloten zijn en alzo afhangen van de Goddelijke voorzienigheid”, omdat dit stuk door sommigen in die tijd publiekelijk weersproken werd. Zijn antwoord moest dienen “tot onderwijzing van de onervarenen, tot overtuiging van de weerstrevers en tot vertroosting van de zwakken”.
Opzet van zijn boek
Ds. Van Renesse heeft die handschoen opgepakt. Hij heeft zijn werk verdeeld in vier boeken of delen. In de eerste druk bevat het eerste deel vier meditaties over het feit dat God Eva voor Adam schiep en haar Zelf tot hem bracht (Gen. 2 vers 18-25). In het tweede deel behandelt hij eveneens in vier meditaties hoe door de wonderlijke regering van de Heere Izak aan zijn Rebekka kwam (Gen. 24). Het derde deel bevat geen vier maar vijf meditaties. De eerste drie meditaties heeft ds. Van Renesse gewijd aan de geschiedenis van Simson die een Filistijnse vrouw te Timnath gezien had en vervolgens aan zijn ouders vroeg om die hem tot een vrouw te nemen (Richt. 14). Daarna schetst ds. Van Renesse in de vierde meditatie het huwelijk
van Ruth met Boaz en in de vijfde meditatie trekt hij lessen daaruit. Ten slotte toont ds. Van Renesse in de drie meditaties van het vierde deel nog uit verscheidene andere teksten uit de Schrift Gods heilige voorzienigheid in het beleid van de huwelijken aan.
Toestemming vragen aan de ouders
Met name in de derde meditatie van het derde deel gaat ds. Van Renesse aan de hand van de geschiedenis van Simson die met een heidense vrouw wil trouwen, in op de plicht van kinderen om hun ouders om toestemming te vragen als zij willen trouwen. De geschiedenis van Simson is bekend. Als Simson een Filistijnse vrouw gezien heeft in Timnath, zegt hij tot zijn ouders: Ik heb een vrouw gezien te Timnath, van de dochteren der Filistijnen; nu dan, neemt mij die tot een vrouw (Richt. 14:2). Daarop reageren zijn ouders met te zeggen: Is er geen vrouw onder de dochteren uwer broederen en onder al mijn volk, dat gij heengaat om een vrouw te nemen van de Filistijnen, die onbesnedenen? Als Simson vervolgens zijn vader vraagt om toch die vrouw voor hem te nemen (vers 3), wordt aansluitend in het vierde vers toegelicht waarom het in dit speciale, extraordinaire geval voor Simson wel geoorloofd was om met deze heidense vrouw te trouwen, namelijk: omdat dit van den HEERE was, Die alleen de macht en het gezag heeft om ten aanzien van een door Hem ingestelde wet naar Zijn wijsheid daarvan ontheffing te verlenen om een verheven doel te bereiken. Dit betekent ook dat Simson in dezen geenszins nagevolgd mag worden. Ook daarop wees ds. Van Renesse. We laten hem nu zelf over het een en ander aan het woord.
Simsons ouders waren getrouw
Ds. Van Renesse: “Al wat God doet, kan niet anders dan goed zijn (…). Echter wordt hier nochtans een heidense vrouw aan een Israëliet gegeven. Ik weet dat dit verboden was. Ik kan daar niets tegen inbrengen. Het komt geen mens toe de geboden van God te overtreden. Het komt de mens ook niet toe om aan de Heilige Geest geboden voor te schrijven. Alle mensen moeten zich richten naar de geopenbaarde wil van God. De verborgen dingen zijn voor den HEERE onzen God, maar de geopenbaarde zijn voor ons en voor onze kinderen tot in eeuwigheid, om te doen al de woorden dezer wet (Deut. 29:29). De verborgen dingen zijn voor de Heere. Wie ziet niet dat hiertoe ook behoort de voorbereiding, aanvang, voortgang en uitvoering van Simsons liefdesbetrekking en huwelijk met een ongelovige. Wat God hier wil, dat is Simson hier tot een wet. Gods aandrijving van hem is een vast bewijs van wat God wil.
Het kwam de ouders toe om hun zoon, hoewel hij een richter in Israël was, te onderwijzen en overeenkomstig de Wet des Heeren te adviseren. Daarom zeggen ze zeer wel: Is er geen vrouw onder de dochteren uwer broederen en onder al mijn volk, dat gij heengaat om een vrouw te nemen van de Filistijnen, die onbesnedenen? Dit is een voortreffelijke en noodzakelijke aanspraak van deze ouders aan deze held. Zijn eer en positie nemen de schuldige plicht van hem jegens zijn ouders niet weg. Hun ouderlijke liefde, zorg en plicht kunnen het niet toestaan dat een heer over het gehele land zich niet zou onderwerpen aan de Heere des hemels en der aarde, aan de Heer van alle heren en aan de Koning van alle koningen. Zij kunnen niet toestaan dat deze sterke held, die zulke blijken zou gaan tonen van een ongelooflijke kracht, in een zaak van zo’n gewicht en gevolg zich zou laten overwinnen door zijn eigen begeerlijkheid.
Het was Gods bevel dat men geen ander juk moest aantrekken met een ongelovige. Men moest in den Heere trouwen en bijeenkomen (1 Kor. 7:39). Vervloekt waren al de volken van het land Kanaän en onder die de Filistijnen. Vervloekt waren de huwelijken met hen. Wacht u, dat gij toch geen verbond maakt met den inwoner des lands waarin gij komen zult; (…) En dat gij voor uw zonen geen vrouwen neemt van hun dochters; en hun dochters, haarlieden goden nahoererende, maken dat ook uw zonen haar goden nahoereren (Ex. 34:12, 16). Op deze wet en meer andere wetten zagen deze vrome ouders. Daarom brachten ze een huwelijk met een Joodse dochter ter sprake. Daarom raadden ze met een geoorloofde heftigheid af het aanzoeken van een heidense dochter, een dochter van een onbesnedene. Hadden zij dit niet gedaan, dan waren zij overtreders geweest van deze wet en schuldig aan de vloek van God.
Een extraordinair geval
Was Simson in deze daad niet gedreven geweest door Gods Geest, hij had gezondigd tegen de eerste Tafel van de Wet en tegen het vijfde gebod. Maar nu volgden de ouders hun zoon, omdat hij hierin volgde de raad van God. Alzo ging Simson met zijn vader en zijn moeder henen af naar Timnath (vers 5). Zij merkten nu wel dat het Gods beschikking was die Simson naar een heidin had doen uitzien. Hoewel dit naar de wet niet geoorloofd was, zij mochten evenwel de Maker van die wet niet tegenspreken als Hij specifiek hier iets anders wilde dan hetgeen zij wisten wat
niet gedaan mocht worden. Immers, God blijft de volmaakte Uitlegger van Zijn Wet. Hij heeft die ook niet voor Zichzelf, maar voor de mens gemaakt.
Uit de omstandigheden bleek het dat Simson door het ingeven van de Heilige Geest tot de Filistijnse dochter gedreven was geworden. In zo’n ongewoon geval wijkt de ouderlijke zorg voor de hemelse. Daarin volgen de kinderen de raad en de wil van de Vader van alle vaders. Als de Heere zó werkt in de ziel, dan is het alsof Hij op een bijzondere wijze afdaalt op de berg Sion om aan zo’n ziel een nieuwe Wet te geven. Deze werking verbindt alleen degene die zó gedreven wordt. Niemand mag daarop in een andere omstandigheid zien of steunen. Niemand dient heden
ten dage het voorwendsel van de Goddelijke roeping buiten Gods Woord om als zodanig te misbruiken, omdat ze nu hebben Mozes en de Profeten om die te horen (Luc. 16:29). Tot de Wet en tot de Getuigenis; zo zij niet spreken naar dit Woord, het zal zijn dat zij geen dageraad zullen hebben (Jes. 8:20).
De Heere dan neemt hier alle bedenkingen [bij de ouders] weg. Hij prijst de liefde van de ouders dat ze de [hier] geopenbaarde wil van de Heere volgden. De Heere verontschuldigt ook Simson, hun zoon, omdat God Zelf hem daartoe geroepen had. Zijn vader nu en zijn moeder wisten niet dat dit van den HEERE was. Alleen daarom is het goed. In het algemeen zijn alle huwelijken met de ongelovigen verboden. Die dergelijke huwelijken aangaan, zijn strafbaar en een gruwel voor de Heere. Maar de Heere heeft soms aan Zich gehouden de vrije dispensatie over Zijn Wet. In
zo’n geval moeten wij niet tegen de Heere ingaan, opdat wij niet horen: O mens, wie zijt gij, die tegen God antwoordt? (Rom. 9:20). (…)
De plicht om toestemming te vragen
Wij zien [uit de geschiedenis van Simson] dat de kinderen in dit stuk [van verloven en trouwen] niets moeten doen buiten hun ouders, en zichzelf niet
moeten verbinden door heimelijke trouwbeloften. Simson geeft hun het goede voorbeeld. Simson was er reeds zeker van wie de Heere voor hem beschikt had. Simson stond in aanzien en positie boven zijn ouders en boven geheel Israël. Hij werd gerekend onder het getal van de gelovige helden in de Joodse republiek. Niettegenstaande dit alles begint hij niets zonder de toestemming van zijn ouders verkregen te hebben. Hoe kunnen wij een geschikter voorbeeld hebben van de schuldige plicht van kinderen jegens hun ouders? (…) Ontzag zich deze held niet zijn ouders, niet alleen zijn vader, maar ook zijn moeder in dit gewichtig stuk te erkennen, wat reden kunnen wij bedenken om onze ouders voorbij te gaan? De roomsen maken weinig werk van de noodzakelijke toestemming van de ouders en vele rechtsgeleerden van de noodzakelijke bewilliging van de moeders.
Maar het vijfde gebod en de voorbeelden van de heiligen leren ons dat men hierin zowel de moeder als de vader moet erkennen (met behoud van de orde onder de ouders die God tussen man en vrouw gesteld heeft). Aangezien dat Simson, ook al is hij door de Geest Gods tot dit huwelijk gedreven, nochtans daarom niet nalaat zijn ouders te eren en te raadplegen, hoeveel temeer dan zijn wij verplicht onze ouders hierover behoorlijk te raadplegen die zo’n aansporing door de Heere – zonder het gebruik van alle geoorloofde wegen en middelen – aan onszelf niet kunnen toeschrijven. Temeer daar dit een schat is die meest door de raad van ouders, voogden of anderen die over ons gesteld zijn, moet worden opengelegd en vastgesteld en waarvoor de kinderen warm gemaakt moeten worden.
Het is ook zeer troostvol voor alle vromen dat ze zien dat de Geest des Heeren in Zijn werking niet wegneemt het gezag van de ouders en de plicht van de kinderen om hen te eren. Beide zaken worden ons in het vijfde gebod ten zeerste ingescherpt en bevolen. Want wij moeten altijd voor waar vasthouden dat er wel een rangschikking is in de Tien Geboden, maar dat er geen tegenstrijdigheid in is, zoals Christus duidelijk aanwijst in Mattheüs 15. Ja, zelfs alle overheden, allen die in enige heilige en hoog gewichtige bediening zijn, hetzij in het geestelijke, hetzij in het wereldlijke, die hebben hier een heilig voorschrift waarop zij ook behoorlijk dienen te letten in het stuk van het huwelijk. De eis van het vijfde gebod, te weten: Eer uw vader en uw moeder, gaat hen zowel aan als de allergeringsten. Wees daarom met de luister van uw staat en de heerlijkheid van uw beroep nooit zo hoog gevoelend dat u daarom verachten en bespotten zou de raad van uw ouders. Hoe groter u wordt, hoe groter uw gehoorzaamheid jegens hen zou moeten zijn. (…)
Geeft u wetten aan anderen, geef ze ook aan uzelf. Oordeelt u naar de wetten over anderen, oordeel ook naar het vijfde gebod over uzelf. De Heilige Geest heeft immers Simson niet zijn onderdanigheid benomen, ja, daaruit komt ze temeer voort. Met wat geest worden ze dan gedreven die het nauwelijks de moeite waard achten om aan het einde [van de verkering], laat staan in het begin hun ouders in dezen te eren en het met hen te bespreken? Ja, wat zeg ik, hoevelen zijn er niet die lichtvaardig en met opzet huwelijksverbintenissen aangaan, geheel tegen de wil en tot verdriet van de ouders. En niet zelden tot een schandvlek van de familie. Zulke kinderen en zulke huwelijksverbintenissen, geheel buiten kennis en tegen wil en dank van de ouders, ziet men helaas in ons land bijna dagelijks. Voorwaar, zij kunnen onder het getal van de gelovige helden niet gerekend worden!
(…) Hoe kunnen zij gelovigen zijn die in hun doen door de gelovigen overtuigd en door de ongelovige en onbesneden Filistijnen beschaamd gemaakt worden? (…)
Soms gaan ouders te ver
Het is wel waar dat ouders soms onbillijk en zonder reden huwbare kinderen verbieden zich in het huwelijk te begeven met deze of gene persoon die hun genegenheid gewonnen heeft en op wiens gedrag niets valt aan te merken. Maar in zo’n geval gaan zulke ouders hun plicht te buiten. En dan kunnen die kinderen ook billijk in alle redelijkheid tegen het misbruik van het ouderlijke gezag opkomen. (…)
In den Heere uithuwelijken
Wij moeten nu ook tonen dat alle vrome ouders voor alle dingen behoren te trachten hun kinderen in de Heere uit te huwelijken. Waar zijn onze Manoahs die daarin ijveren, waaraan nochtans zoveel gelegen is? Wij zien in de ouders van Simson dat geen wereldse, staat- en geldzuchtige begeerlijkheden of inzichten [hen drijven], hetgeen de mens onmogelijk maakt om in de hemel te komen. Maar wij zien hier een vader die vooral zorg tracht te dragen voor de eenheid in de ware godsdienst tussen zijn zoon en zijn toekomstige bruid. Wij zien hier een vader die vrees heeft voor een onbesnedene, dat is, voor de honers en bespotters van God en Zijn Woord.
Wij zien hier ook een moeder die niet zoals Athália, zoals de Heilige Geest zegt, een raadgeefster was van haar zoon Aházia om goddeloos te handelen (2 Kron. 22:3), en niet zoals een Herodias die haar kind onderwijst in de bloedgierige en moorddadige liefde (Matth. 14:8; Mark. 6:24), maar een die met haar man – zoals eertijds Bathséba, (Spr. 31) aan Salómo (…) – hier als het ware Simson, de richter van het land, toeroept: Wat, o mijn zoon, en wat, o zoon mijns buiks; ja, wat, o zoon mijner geloften? Geef aan onbesneden vrouwen uw vermogen niet, noch uw wegen om koningen te verdelgen (Spr. 31:2-3).
Daarom, alle gij ouders en voornamelijk u die uw kinderen opkweekt ten dienste van Gods Kerk of ten dienste van het vaderland, gedenk toch dat ze
zijn de gezegende vruchten van uw lichamen, de kinderen der geloften, voor wie u de Heere beloofd hebt hen te zullen opvoeden in deugd, in ’s Heeren vreze en in een goede consciëntie (1 Petr. 3:21). Houd uw woord den Heere! Betaal Hem uw beloften! En wanneer ze buiten het spoor treden en zich vergapen aan de Filistijnse dochters, zie het dan niet aan met oogluiking of onverschilligheid. Laat u de schijn niet verlokken om tot hoogheid van staat te geraken. Ook al kunt u een zoon of dochter door het huwelijk de waardigheid van prins of prinses doen verkrijgen. Spreek in zo’n geval uw kinderen aan met de woorden van Simsons ouders: Is er geen vrouw onder de dochteren uwer broederen en onder al mijn volk, dat gij heengaat om een vrouw te nemen van de Filistijnen, die onbesnedenen? Zoek voor hen ‘bloedverwanten’ die met u de ware leer aanhangen, die aan geen vreemde goden wieroken, noch Babel boven Sion stellen. Laat het zielenheil van uw kinderen zwaarder wegen dan het volmaakte bezit van de
aardse grootheid. (…)
Indien de ouders hier stilzwijgen, door de vingers zien of met Eli met een gemaakte vertoning zonder ernst hun kinderen daarover bestraffen, het is evenzoveel alsof zij hun kinderen niet eens zuur aanzien (1 Sam. 1:13), ja, alsof zij zelf hun kinderen daartoe raden en aanzetten. O, wat een schat van Gods toorn vergaderen die ouders over hun zielen! Want zij zijn bezig, zoveel in hen is, om zodanige kinderen te bederven en in ontelbare zwarigheden naar lichaam en ziel te verstrikken. Dergelijke ouders verstaan niet of nemen niet in acht de geboden van God noch hun ouderplicht. Zij verachten de voorbeelden van de heiligen en gedragen zich als ontaarden van de natuurlijke liefde voor hun kinderen. Ja, zij worden meinedig tegen hun dure, vrijwillige, openbare beloften die ze God in hun gebeden in barensnood, in de wens van een heilig zaad, in de doop, ook daarna, uit het kraambed verlost zijnde of anderszins, zo dikwijls gedaan hebben.
Ten besluite
Gedenk aan de Godvrezendheid van Hanna en volg haar voornemen, o moeders: Ik bad, zegt ze, om dit kind, en de HEERE heeft mij mijn bede gegeven, die ik van Hem gebeden heb. Daarom heb ik hem ook den HEERE overgegeven al de dagen die hij wezen zal; hij is van de HEERE gebeden (1 Sam. 1:27-28). Behartig met betrekking tot uw eigen vlees en bloed datgene waartoe de apostel de gelovige Korintiërs vermaant:
Trekt niet een ander juk aan met de ongelovigen; want wat mededeel heeft de gerechtigheid met de ongerechtigheid, en wat gemeenschap heeft het licht met de duisternis? (2 Kor. 6:14). Betracht daarbij zijn zorgvuldige onderwijzing in 1 Korinthe 7:39. Daar zegt hij wel dat de ongetrouwden vrij zijn om te trouwen dien zij willen, maar hij voegt erbij: alleenlijk in den Heere. Dat is: in Zijn vreze, naar Zijn Woord en tot eer van Zijn Naam. Want de wet verbiedt immers in het ploegen de samenvoeging van een os met een ezel. Dit wijst erop dat er geen samenvoeging mag zijn tussen deze twee dieren, omdat de os rein is, maar de ezel onder de onreine dieren gerekend wordt. (…)”
Ds. L.G. van Renesse (1599-1671) diende als predikant te Maarssen (1620-1638) en te Breda (1638-1671), na het beleg en de inname van deze stad van 21 juli tot 11 oktober 1637 door Frederik Hendrik. Het boek De voorsienigheyt Gods in ’t beleyt der houwelicken kan digitaal gelezen worden. Bovenstaand artikel verscheen in het blad In het Spoor, december 2025, en is met toestemming overgenomen.










