De Nederlandse Gezondheidsraad somt de redenen op om de medische gendertransitie bij minderjarigen te heroverwegen, maar ziet vervolgens geen reden om actie te ondernemen
De kern
De Gezondheidsraad heeft erkend dat het bewijs voor medische transitie bij kinderen en jongeren zwak is, dat hormonale behandelingen bijwerkingen en onzekerheden met zich meebrengen, en dat onbekend is hoeveel patiënten later spijt krijgen. Toch concludeert de raad dat de behandeling moet worden voortgezet.
In een advies dat eerder deze week werd uitgebracht, stelde de Gezondheidsraad dat het Nederlandse protocol, dat is gebaseerd op puberteitsremmers, binnen het kader van de Nederlandse gezondheidswetgeving valt, hoewel deze visie was gebaseerd op de inhoud van behandelrichtlijnen en de raad “de zorgverlening in de dagelijkse praktijk niet had geëvalueerd”.
De raad merkte op dat de Nederlandse genderklinieken ook de zorgwekkende verschuiving in het patiëntenprofiel waarnemen, die in Finland, Zweden en het Verenigd Koninkrijk heeft geleid tot beperkingen op het gebruik van puberteitsremmers en hormonen bij minderjarigen.
Volgens de raad was het aantal Nederlandse verwijzingen tussen 2020 en 2022 meer dan verdubbeld tot in totaal 2.772, met lange wachtlijsten als gevolg. De klassieke groep van jongens met genderdysforie die zich al op jonge leeftijd openbaarde, heeft plaatsgemaakt voor meisjes bij wie de klachten in de tienerjaren ontstaan, vaak met een non-binaire identiteit en bijkomende aandoeningen zoals autisme, depressie, angststoornissen en ADHD.
Juist deze omslag in het patiëntenprofiel bracht de Finse gezondheidsautoriteiten ertoe hun beleid opnieuw te overwegen. Finland werd in 2020 het eerste land dat koos voor een voorzichtiger en minder gemedicaliseerde benadering dan het Nederlandse protocol.
Toch houdt de Nederlandse Gezondheidsraad vol dat “onderzoek centraal staat in het Nederlandse model”.
“Behandeling met GnRH-agonisten [puberteitsremmers] dient niet in de eerste plaats als opstap naar verdere behandeling [met geslachtsveranderende hormonen], maar als een interventie die – zij het binnen de gespecialiseerde zorg – tijd creëert voor verdere verkenning”, aldus de raad.
“Niet alle jongeren die zich aanmelden voor [puberteitsremmers] beginnen uiteindelijk aan deze [mogelijk levenslange hormonale] behandeling, maar de meerderheid doet dat wel.” Volgens internationale gegevens, waaronder die uit Nederland, gaat het om meer dan 90 procent.
De Nederlandse radioloog en nucleair geneeskundige dr. Hanneke Kouwenberg, in een verklaring aan Gender Clinic News (GCN): “Al met al is het onbegrijpelijk dat de commissie [van de Gezondheidsraad] volhoudt dat de zorg voor jongeren voldoet aan het wettelijke kader voor de gezondheidszorg.”
“Om dat te kunnen zeggen, moet een behandeling veilig en effectief zijn, moet deze in verhouding staan tot het doel en moeten patiënten goed worden geïnformeerd over behandelingsopties en alternatieven – kortom, er moet sprake zijn van een deugdelijke medische indicatie. Uit het rapport [van de Raad] blijkt niet dat aan een van deze voorwaarden is voldaan.”
Vooringenomenheid
Het verzoek om onafhankelijk advies van de Gezondheidsraad kwam voort uit twee moties die in 204 door de Tweede Kamer waren aangenomen. Daarin werd aangedrongen op medisch-juridisch onderzoek naar gendertransitie bij kinderen en op onderzoek waarin de resultaten van patiënten volgens het Nederlandse protocol werden vergeleken met die van Europese landen, zoals Zweden, die een voorzichtiger koers zijn gaan varen.
De helft van de leden van de twaalfkoppige commissie van de Gezondheidsraad was rechtstreeks betrokken bij de behandeling volgens het Nederlandse protocol, en de onpartijdigheid van haar advies is in twijfel getrokken. Er zijn verklaringen openbaar gemaakt over mogelijke belangenconflicten van commissieleden. Het voornaamste adviesdocument bevat innerlijke tegenstrijdigheden, waarbij vage positieve beweringen ten gunste van voortzetting van de behandeling worden tenietgedaan door de erkenning dat de gegevens gebrekkig zijn en de uitkomsten onzeker.
In dat voornaamste adviesdocument merkt de raad op dat minderjarigen “de emotionele en verstandelijke rijpheid moesten hebben die nodig is om weloverwogen toestemming te geven”, maar geeft hij toe dat de mentale effecten van hormonale behandeling tijdens de heel belangrijke fase van hersenontwikkeling in de puberteit niet bekend zijn.
“De grootste onzekerheid betreft de uitkomsten op het gebied van de mentale gezondheid, namelijk de mate waarin hormoonbehandelingen – met name GnRH-agonisten (puberteitsremmers) – een blijvende invloed hebben op de psychosociale en mentale ontwikkeling van jongeren”, aldus de raad, die opriep tot meer onderzoek.
Microbioloog dr. Rosanne Hertzberger, het parlementslid achter een van de parlementaire moties uit 2024 in een NRC-artikel:
“Zelfs na een tiental gesprekken en maandenlange evaluatie is de uiteindelijke medische beslissing nog steeds gebaseerd op de gevoelens van kwetsbare jonge tieners. Zij komen tot hun keuze temidden van een samenleving waar de afgelopen jaren niets minder dan een complete gendergekte is losgebarsten.”
“Waarom maken de Nederlanders zich geen zorgen over het Nederlandse protocol, terwijl Finland, Zweden en Engeland een stap terug doen? Daar is geen geruststellend antwoord op. In de universitaire medische centra (met hun genderklinieken) lijken mensen er echt van overtuigd te zijn dat alleen wij in Nederland op zo’n veelzijdige, onderzoekgerichte en zorgvuldige manier te werk gaan.”
“Het rapport [van de Gezondheidsraad] biedt weinig nieuwe inzichten. Het is een bijna exacte kopie van wat artsen in genderklinieken al eerder zeiden. De patiëntengroep en de samenleving zijn in korte tijd misschien wel volledig veranderd, maar van ons wordt gewoon verwacht dat we onverstoorbaar doorgaan met het behandelen van patiënten. Zolang het maar zorgvuldig gebeurt. Verontrustend.”
Hersenblokkade
Al in 2006 gaven artsen van de beroemde Amsterdamse genderkliniek toe dat het “nog niet duidelijk was hoe puberteitsremming de hersenontwikkeling zou beïnvloeden”. De Britse neuropsycholoog professor Sallie Baxendale heeft betoogd dat puberteitsremmers mogelijk van invloed kunnen zijn op cruciale fasen van de mentale ontwikkeling bij jongeren, wier hersenen pas op 25-jarige leeftijd volledig volgroeid zijn.
In 2024 zei een andere vooraanstaande Nederlandse arts, psychiater dr. Annelou de Vries, dat de Amsterdamse kliniek in het verleden van plan was geweest om MRI-onderzoeken (magnetic resonance imaging) van de hersenen van patiënten uit te voeren.
“We waren van plan om dergelijke MRI-onderzoeken uit te voeren, maar we kregen de subsidies niet toegekend”, vertelde dr. de Vries aan GCN.
Klinisch en onderwijspsycholoog Roelien den Ouden, in een verklaring aan GCN: “Het lijkt wel alsof iedereen is vergeten dat er zoiets bestaat als ontwikkelingsfasen, en dat kinderen die gewoon zouden moeten kunnen doorlopen, zonder dat ze voor de rest van hun leven gemedicaliseerd worden.
“Kinderen kunnen deze ingrijpende beslissingen niet nemen en zouden daar eigenlijk ook niet om gevraagd moeten worden. Ze beschikken niet over de mentale vaardigheden en de sociaal-emotionele ontwikkeling om te beslissen of ze de mogelijkheid willen behouden om ooit een orgasme te hebben of kinderen te krijgen. Ze zijn erop gericht een kortetermijnoplossing te vinden voor hun negatieve gevoelens over hun leven of over zichzelf.”
Er zijn talrijke hiaten
In zijn advies van 30 juni stelt de Gezondheidsraad: “Een andere belangrijke kenniskloof is het gebrek aan gegevens over de langetermijnuitkomsten, zowel lichamelijk als mentaal. Er bestaat ook veel onzekerheid over de mogelijkheden en resultaten van vruchtbaarheidsbehoud en hoe jongeren hier als volwassenen tegenaan zullen kijken. Een andere kenniskloof betreft het gebrek aan informatie over de praktische betekenis voor de behandeling van de meeste waargenomen effecten.”
“De [hormonale] behandelingen kunnen ook ongewenste effecten hebben, maar de Gezondheidsraad ziet op basis van de beperkte beschikbare gegevens hierover geen reden om de behandelingen niet aan te bieden, temeer daar niets doen ook schadelijke gevolgen kan hebben voor de mentale gezondheid.”
De suggestie dat alternatieven voor het gemedicaliseerde Nederlandse protocol neerkomen op ‘niets doen’, veronderstelt ook dat de voordelen van puberteitsremmers en hormonen goed onderbouwd zijn.
In sommige passages lijkt de raad precies dat te beweren: “Onderzoek naar de lichamelijke en mentale uitkomsten van hormoonbehandelingen bij jongeren met genderdysforie laat over het algemeen consistente resultaten zien. Lichamelijk hebben de behandelingen de beoogde effecten (ze doen wat ze moeten doen), en op mentaal gebied zijn er aanwijzingen voor enige verbetering.”
Elders is de raad openhartiger: “De systematische overzichtsstudies die het onderzoek naar lichamelijke en mentale uitkomsten samenvatten en beoordelen, zijn het erover eens dat de bewijskracht voor de waargenomen effecten laag tot zeer laag is.
“Hiervoor zijn verschillende redenen. Het beschikbare onderzoek bestaat uitsluitend uit waarnemingsstudies, waarvan de meeste geen (adequate) controlegroep hebben. Studies die wel zo’n controlegroep bevatten, geven vaak weinig of geen informatie over mogelijke verschillen tussen de groepen en corrigeren hierin hun analyses niet (voldoende) voor (zogenaamde verstorende factoren).”
“In het algemeen is het niet echt mogelijk om op basis van waarnemingsstudies een oorzakelijk verband tussen behandeling en uitkomst aan te tonen. Bovendien was de onderzoeksgroep in de meeste studies klein van omvang, en was het niet altijd duidelijk hoe de onderzoeksgroep qua omvang en samenstelling verhoudt tot de populatie die in aanmerking zou komen voor deelname aan het onderzoek (mogelijkheid vertekening door selectie van deelnemers).”
“Een andere belangrijke beperking in de onderzoeksmethode is dat periode waarin deelnemers werden gevolgd in veel onderzoeken kort was. Bij de onderzoeken die wel een lange(re) opvolgperiode hadden, trad er tijdens de onderzoeksperiode aanzienlijke uitval van deelnemers op. Dit kan leiden tot selectieve vertekening, wat betekent dat de resultaten niet langer representatief zijn voor de gehele onderzoeksgroep. Vanwege de over het algemeen korte periode waarin deelnemers werden gevolgd en de aanzienlijke uitval van deelnemers is het moeilijk om conclusies te trekken over langetermijneffecten.”
De Nederlandse journalist Jan Kuitenbrouwer, in een verklaring aan GCN: “De kern is dat [de commissieleden van de raad] de kern van het probleem niet aanpakken, zoals nu duidelijk naar voren komt in verschillende systematische overzichtsstudies: er is geen solide wetenschappelijke basis voor deze behandeling, en daarom is het een mogelijke ramp op de lange termijn.
“Het is een beschamende uitvlucht van een voorheen gerespecteerde, scherpzinnige en onafhankelijke raad. Ze zijn duidelijk in de val gelopen en hebben zelfs de formulering ‘toegewezen bij de geboorte’ overgenomen, wat duidelijk wijst op ideologische beïnvloeding.
“Eigenlijk geen verrassing: de medische gendergemeenschap in Nederland is een klein, hecht kliekje. Ze zijn allemaal op de een of andere manier betrokken bij, of geïntimideerd door, het prestige van de baanbrekende Amsterdamse kliniek. Ze zijn vrijwel onaantastbaar.”
Weten en niet weten
In een zelfverzekerde bui weet de Gezondheidsraad op een gegeven moment aan te voeren dat er “aanwijzingen … zijn dat het aantal gevallen van spijt laag is”.
En dan, nog meer openhartigheid: “Op basis van de beschikbare literatuur is het moeilijk om het aantal mensen vast te stellen dat spijt heeft van zijn beslissing, vanwege de over het algemeen korte perioden waarin deelnemers werden gevolgd en de aanzienlijke uitvalpercentages in onderzoeken.”
Daarna volgt dit: “Deze onzekerheden geven de commissie geen aanleiding om wijzigingen aan te bevelen in de manier waarop de zorg is georganiseerd.”
Spijtpercentages van minder dan één procent uit de Amsterdam Cohort of Gender Dysphoria Study (1972-2015, met een gemiddelde opvolgperiode van 6,4 jaar) worden internationaal vaak aangehaald, maar niet het feit dat 36 procent van de voormalige patiënten in dit onderzoek “uit beeld is geraakt”, wat betekent dat de kliniek geen gegevens over hen had en dat het werkelijke spijtpercentage aanzienlijk hoger zou kunnen liggen.
Dr. Hanneke Kouwenberg: “Het Nederlandse protocol wordt nu al meer dan twintig jaar toegepast in Nederlandse genderklinieken, en toch concludeert de commissie [van de Gezondheidsraad] dat veel van het bewijs voor de veronderstelde positieve effecten zwak is, terwijl de feitelijk door medische handeling veroorzaakte schade [van hormonale behandeling] wordt afgedaan als ‘het doet wat het moet doen’.
“Inzichten uit het buitenland – bijvoorbeeld dat [puberteitsremmers] waarschijnlijk het verdwijnen [van dysforie] verhinderen en kinderen daarmee al in een vroeg stadium op een pad van medische ingrepen plaatsen – worden genegeerd.
“Dit is zeer ernstig, omdat het verdwijnen van dysforie momenteel de enige kans biedt op daadwerkelijk herstel van genderdysforie.”
Daar wel, hier niet
Ondanks de ontbrekende gegevens en onbekende factoren betoogt de Gezondheidsraad in haar nieuwe advies dat genderklinieken in Nederland gevrijwaard zijn gebleven van het slordige gebruik van het Nederlandse protocol in het buitenland.
“In Nederland wordt lichamelijke behandeling pas overwogen na uitgebreide beoordeling, diagnose, psychologische ondersteuning en een geschiktheidsbeoordeling door een multidisciplinair team”, aldus de raad.
De raad lijkt het zorgvuldige ideaal van de Nederlandse kwaliteitsnorm voor lichamelijke ingrepen te vergelijken met de daadwerkelijke praktijk in het buitenland, zoals bij de in Londen gevestigde Tavistock-kliniek, waar de behandeling niet voldeed aan de belofte van voorzichtige zorg waarbij verschillende deskundigen betrokken waren.
“Het uitgangspunt [in de Nederlandse norm] is niet de bevestiging van een vooraf vastgestelde identiteit, maar de zorgvuldige beoordeling van de behoeften van het individuele kind vanuit verschillende perspectieven”, aldus de raad.
“Dit onderscheidt het model van de zorgpraktijk elders, zoals beschreven in het [Britse] Cass-rapport en de Tavistock-uitspraak, waar de behandeling was gebaseerd op een sterk bevestigende benadering met onvoldoende aandacht voor alternatieve verklaringen voor het lijden.”
De nieuwe, herziene Nederlandse richtlijn voor hormonale behandelingen zal echter worden afgestemd op de zorgstandaarden voor 2022 van de World Professional Association of Transgender Health (WPATH).
De huidige WPATH-normen kregen een beoordeling van 35 op 100 voor de zorgvuldigheid waarmee zij waren ontwikkeld, in een door vakgenoten beoordeelde evaluatie van internationale richtlijnen door de Universiteit van York, in opdracht van het Cass-rapport. De huidige Nederlandse richtlijnen zijn gebaseerd op de WPATH-normen uit 2012, die een score van 26 op 100 behaalden. Geen van beide WPATH-richtlijnen werd door de onderzoekers van de Universiteit van York aanbevolen voor gebruik.
De opvatting dat de Nederlandse richtlijnen grondiger en voorzichtiger zijn, is onder nieuwe druk komen te staan. In 2024 hebben twee transgenders, die hun transitie hebben teruggedraaid, een rechtszaak aangespannen tegen de Amsterdamse kliniek, omdat ze beweren dat ze een verkeerde diagnose hebben gekregen. De onderliggende studies uit 2011 en 2014 waarop het Nederlandse protocol is gebaseerd, zijn opnieuw kritisch onder de loep genomen wat hun opzet betreft. Bovendien zijn die eerdere onderzoeksgegevens mogelijk niet van toepassing op de huidige, kwetsbare tienermeisjes.
Dr. Hanneke Kouwenberg, een Nederlandse radioloog en nucleair geneeskundige die het debat rond de genderkliniek heeft gevolgd, zei: “Hoewel de term ‘zorgvuldig’ wellicht van toepassing is op de begeleiding voorafgaand aan medische ingrepen, schetsen de verhalen van zowel sommige mensen die doorgaan met hun transitie (zoals Thiuri in de Zembla documentaire) als vooral afhakers, transgenders die hun transitie hebben teruggedraaid en/of hun ouders een heel ander beeld.
“De diagnostiek was niet ‘uitgebreid’ of verkennend; er werden geen vragen gesteld bij de opgegeven ‘genderidentiteit’, er werd geen onderzoek gedaan naar mogelijke onderliggende oorzaken, en de nadruk lag simpelweg op bevestiging en het sturen in de richting van een ingreep,” vertelde dr. Kouwenberg aan GCN.
“Alternatieven, zoals afwachtend beleid, werden niet als serieuze mogelijkheden gepresenteerd, zoals ook blijkt uit de studies van Lieke Vrouenraets en uit berichten van ouders op X die op het rapport reageerden. De genderklinieken in Nederland lijken daarom het oude gezegde te illustreren: als een hamer je enige gereedschap is, lijkt alles op een spijker.”
De Nederlandse filosoof Jilles Smids schreef in een publicatie uit 2025: “Tussen 2000 en 2018 werd bij 84 procent van de 1.487 jongeren die naar de Amsterdamse kliniek waren doorverwezen de diagnose [genderdysforie] gesteld en begon 78 procent aan een medische transitie …
“Een dergelijk hoog percentage zou verklaard kunnen worden als al deze jongeren eerst elders een uitgebreid diagnostisch traject hadden doorlopen. Dit lijkt echter onwaarschijnlijk, aangezien huisartsen patiënten rechtstreeks kunnen doorverwijzen naar academische genderklinieken en er vaak is geconstateerd dat er onder professionals in de jeugdpsychiatrie sprake is van ‘terughoudendheid om in te grijpen’ als het gaat om gendergerelateerde kwesties.”
Onterechte behandeling
Aan de vooravond van de publicatie van het advies van de Gezondheidsraad ondertekende een groep, bestaande uit artsen en voormalige politici, een opiniestuk in de krant Trouw waarin werd opgeroepen tot een grondig onderzoek naar de onderbouwing van het Nederlandse protocol. Hieronder volgt hun eerste beoordeling van het rapport van de Gezondheidsraad van 30 juni; de deskundigen van de groep buigen zich nog over hun individuele “uitgebreide en zorgvuldig afgewogen reacties”—
“Het advies [van de Gezondheidsraad] bevat enkele belangrijke erkenningen van onzekerheid en roept op tot beter langetermijnonderzoek en -monitoring. Dat juichen we toe. Maar die erkenningen maken het centrale probleem juist urgenter, niet minder: de raad heeft geen antwoord gegeven op de kernvraag of het Nederlandse protocol zelf wetenschappelijk en ethisch gerechtvaardigd is.
“In plaats daarvan heeft de raad grotendeels de uitvoering van het protocol beoordeeld. Zij kijkt of de Nederlandse procedure zorgvuldig is georganiseerd, maar gaat niet serieus in op de onderliggende vraag: is dit medische traject voor minderjarigen als zodanig gerechtvaardigd? Een zorgvuldige procedure is niet hetzelfde als een deugdelijke medische indicatie.
“Dit is belangrijk omdat in een van de parlementaire moties die tot het advies hebben geleid, uitdrukkelijk werd gevraagd om onderzoek naar de lichamelijke en mentale gezondheidsuitkomsten na behandeling volgens de Nederlandse protocolmethodiek, vergeleken met vergelijkbare groepen in andere Europese landen met afwijkende zorgstandaarden. Naar onze mening is die vraag niet beantwoord. De raad heeft geen dergelijke op uitkomsten gebaseerde vergelijking geleverd en ook geen een serieuze poging gedaan om vast te stellen of het Nederlandse protocol op de lange termijn betere gezondheidsuitkomsten oplevert dan alternatieve benaderingen.
“Die nalatigheid is bijzonder ernstig omdat het hier gaat om ingrijpende en deels onomkeerbare ingrepen: puberteitsremmers, geslachtsveranderende hormonen en, in sommige gevallen, chirurgie. Ze kunnen gevolgen hebben voor de vruchtbaarheid, de seksuele functie, de botontwikkeling en levenslange afhankelijkheid van medische zorg. Bij dergelijke behandelingen zou de lat voor wetenschappelijk bewijs hoog moeten liggen. Toch blijven de sterkte van het bewijs, de afweging tussen voor- en nadelen, en de vraag of deze ingrepen daadwerkelijk gezondheidswinst op de lange termijn opleveren, ernstig omstreden.
“Een bijkomend probleem is dat de raad vanaf het begin een groot deel van het theoretische kader achter het Nederlandse protocol lijkt over te nemen: het bestaan van ‘genderidentiteit’, het idee dat iedereen er een heeft, en de gedachte dat genderdysforie een medische verandering van het lichaam noodzakelijk kan maken omdat ‘niets doen’ geen optie zou zijn. Maar dit zijn juist de aannames die onderzocht hadden moeten worden.
“Ook de internationale vergelijking is problematisch. De raad presenteert landen als Engeland, Zweden en Finland alsof hun bezwaren voornamelijk betrekking hebben op een gebrekkige uitvoering elders, terwijl Nederland het protocol zogenaamd zorgvuldiger toepast en daardoor grotendeels in het gelijk wordt gesteld.
“Maar de kritiek van dr. Cass, professor Kaltiala in Finland, Zweden en andere recente wetenschappelijke literatuur gaat dieper. Het betreft de zwakke bewijsbasis, de veranderde patiëntengroep, gelijktijdig voorkomende aandoeningen, het gebrek aan stevig oorzakelijk bewijs voor gezondheidswinst op de lange termijn, en de vraag of medische transitie bij minderjarigen eigenlijk wel de juiste behandelingsroute is. Dit is met name opvallend in het geval van Finland, waarvan de op registers gebaseerde langetermijnonderzoeken centraal hadden moeten staan in elke serieuze internationale vergelijking.
“Ten slotte, als de raad erkent dat stevig langetermijnbewijs nog steeds ontbreekt, zou hij ook moeten uitleggen waarom de beschikbare langetermijngegevens niet zijn onderzocht.
“Nederland heeft tientallen jaren klinische ervaring met dit traject, en relevante gegevensbronnen zijn aanwezig in klinische databases, verzekeringsdossiers en nationale registers. De raad kan niet simpelweg wijzen op een gebrek aan langetermijnbewijs zonder te vragen waarom deze gegevens niet zijn gekoppeld en onderzocht om uitkomsten te bestuderen zoals psychiatrische problemen, lichamelijke gezondheidsklachten, het staken van de behandeling, detransitie en sterfte.”
En hoewel de term ‘zorgvuldig’ misschien van toepassing is op de begeleiding voorafgaand aan medische ingrepen, schetsen de verhalen van zowel sommige mensen die doorgaan met transitie (zoals Thiuri in de Zembla-documentaire) als vooral afhakers, transgenders die hun transitie ongedaan hebben gemaakt en/of hun ouders een heel ander beeld. De diagnostiek was niet ‘uitgebreid’ of verkennend; er werden geen vragen gesteld over de opgegeven ‘genderidentiteit’, er werd geen onderzoek gedaan naar mogelijke onderliggende oorzaken, en de nadruk lag simpelweg op bevestiging en het sturen in de richting van een ingreep. Alternatieven, zoals afwachtend begeleiden, werden niet als serieuze mogelijkheden gepresenteerd, zoals ook blijkt uit de studies van Lieke Vrouenraets en de berichten van ouders op X als reactie op het rapport.
De genderklinieken in Nederland lijken daarom het oude gezegde duidelijk te maken: als een hamer je enige gereedschap is, lijkt alles op een spijker.
Bron: https://www.genderclinicnews.com/p/carry-on-regardless
Vertaling: Pro Deo Translations












