Het is een gezegde dat tegenwoordig geregeld in klinkt in de gereformeerde gezindte: we moeten niet oordelen. Daar schijnen we namelijk erg goed in te zijn. We moeten vooral luisteren en barmhartig zijn. Ons komt het oordeel niet toe. Is dat inderdaad zo?
Onlangs stond in het RD een interview met Henriëtte Boersma (RD 17-12-2025). Ze is predikantsvrouw en doet onder meer werk als counseler op gereformeerde scholen. Het gaat daarbij om scholen die vanouds bekend stonden als ‘vrijgemaakt gereformeerd’. Mevrouw Boersma deed onderzoek op vier van zulke gereformeerde scholen naar de gebruikte methode “Homo in de klas”. Eind januari hoopt ze op dit onderzoek te promoveren, en verdedigt ze aan de Vrije Universiteit in Amsterdam haar proefschrift ”Homo in de klas: lessen onder de regenboog”.
Ze zegt in dit interview onder meer het volgende: ‘Boven mijn proefschrift heb ik een citaat van Augustinus gezet: „Heb lief en doe wat je wilt”. God heeft Zijn eniggeboren Zoon gegeven om ook jou te redden. Als je dat door je heen laat gaan, die liefde van God, en je ziet een ander worstelen, dan bestaat het niet dat je anderen negatief behandelt. Iemand die homoseksueel is, zal voor God over zijn relatie verantwoording moeten afleggen, net zoals jij en ik. Ik denk dat wij als mensen niet over een ander hoeven te oordelen.’
Gebod om te oordelen
Zo’n uitspraak als ‘Ik denk dat wij als mensen niet over een ander hoeven te oordelen’ hoor je tegenwoordig vaker. Maar is die Bijbels? Op het eerste gezicht wel. De Heere Jezus sprak het immers Zélf: Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt (Matth. 7:1). Dat lijkt duidelijk genoeg!
Wie echter een blik op de kanttekeningen werpt, realiseert zich dat er niet staat wat op het eerste gezicht misschien gedacht wordt. Er wordt namelijk uitgelegd hoe dit ‘niet oordelen’ begrepen moet worden: ‘Namelijk lichtvaardiglijk, of verkeerdelijk, uit haat, nijdigheid of ongegronde achterdocht. Anders is een oprecht oordeel van zaken waarvan men oprechte kennis heeft, als het tot een goed einde geschiedt, zo in het gericht als daarbuiten, niet alleen geoorloofd, maar ook geboden.’
Iets soortgelijks zegt Jakobus wanneer hij schrijft: Zijt niet vele meesters, mijne broeders, wetende dat wij te meerder oordeel zullen ontvangen (Jak. 3:1). De kanttekenaren maken duidelijk dat het hier gaat om mensen die zich aanmatigen om als grote meesters anderen lichtvaardig te oordelen en te berispen. Zulke mensen zijn er veel, omdat mensen zo geaard zijn dat ze de gebreken van anderen gemakkelijk zien, maar niet die van zichzelf. Het gaat hier dus eveneens over het lichtvaardig oordelen. Of zoals de Heidelbergse Catechismus het verwoordt: we mogen iemand niet lichtelijk en onverhoord oordelen of helpen veroordelen (HC vraag 112).
Maar dit alles betekent niet dat er niet geoordeeld zou mogen worden. Het kan zelfs een plicht zijn, een gebod. Wanneer is dit het geval? De Heere Jezus geeft hierover onderwijs in Matthéüs 18:15-18. Daar gaat het over het bestraffen van broeders die gezondigd hebben, zonder dat dit openbaar is. De kanttekenaren leggen dit uit als het geven van enige aanstoot ‘hetzij dat hij uzelven verongelijkt of anderszins tegen God of den naaste misdoet met uw kennis’. Met andere woorden: het gaat hier niet alleen over zonden tegenover u of jou begaan, maar over allerlei zonden tegen God of de naaste waarvan je wetenschap hebt. Het kan dan nodig zijn om niet alleen te oordelen, maar om iemand zelfs te bestraffen, om daardoor uiteindelijk iemand te behouden. Zwijgen is dan goddeloze onverschilligheid of angstvalligheid.
Oordelen van buitenstaanders
Geldt dit nu ook jegens iedere willekeurige naaste, ongeacht de vraag in welke relatie je met iemand staat? Matthéüs 18 spreekt immers van broeders, behorend tot de gemeente Gods. Dat er dan zo’n plicht is tot broederlijke vermaning, ligt voor de hand. Paulus zegt zelfs: Maar vermaant elkander allen dag, zolang als het heden genaamd wordt, opdat niet iemand uit u verhard worde door de verleiding der zonde (Hebr. 3:13). Op soortgelijke wijze geldt dit bijvoorbeeld binnen een gezin. Ouders hebben die verantwoordelijk jegens kinderen. Maar hoe zit het met mensen buiten de directe kring, die wellicht ongelovig zijn?
De algemene lijn in Gods Woord lijkt te zijn dat we ons in de eerste plaats hebben te wachten voor nodeloze vermenging met de wereld. Paulus wijst hier meerdere keren op, en zegt in dit verband over het oordelen van buitenstaanders: Want wat heb ik ook die buiten zijn te oordelen? Oordeelt gijlieden niet die binnen zijn? Maar die buiten zijn oordeelt God. En doet gij dezen boze uit ulieden weg (1 Kor. 5:12, 13). De kanttekeningen leggen ook weer uit hoe dit begrepen moet worden. Die buiten zijn, zijn weliswaar buiten het bereik van de tucht door de kerk, maar zijn daarom nog niet vrij van Gods oordeel.
Dat betekent echter niet dat we tegen hen altijd onze mond moeten houden. Dezelfde Paulus zegt elders (Efeze 5:11): En hebt geen gemeenschap met de onvruchtbare werken der duisternis, maar bestraft ze ook veeleer. Wat dit bestraffen is, wordt opnieuw helder verklaard in de kanttekeningen: ‘Namelijk altijd door uw christelijken wandel; en door Gods Woord, wanneer zulks met vrucht kan geschieden. Anders zegt ook Christus dat zulke parelen voor varkens niet moeten gestrooid worden.’ We bestraffen dus in de eerste plaats door onze christelijke levenswandel, en tevens met Gods Woord als dit met vrucht kan.
Dat brengt ons terug bij Mathéüs 7, waar de Heere Jezus zegt: Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt. In hetzelfde gedeelte geeft Hij ook belangrijke aanwijzingen hoe dit moet gebeuren. In de eerste plaats mogen we op geen enkele wijze hypocriet zijn in ons oordeel. En wat ziet gij den splinter die in het oog uws broeders is, maar den balk die in uw oog is, merkt gij niet? (vers 3). We moeten allereerst oog hebben voor eigen gebreken, en die uit ons leven wegdoen. Daar is ontdekkend licht voor nodig. Als de Heere dat licht door genade schenkt, heeft men gewoonlijk geen grote mond meer over de ander.
Bovendien: Geeft het heilige den honden niet, en werpt uw parelen niet voor de zwijnen; opdat zij niet te eniger tijd dezelve met hun voeten vertreden en zich omkerende u verscheuren (vers 6). De kanttekenaren betrekken ‘het heilige’ en ‘de parelen’ onder meer op vermaningen én vertroostingen uit Gods Woord. Die moeten niet voorgehouden worden aan hardnekkige of moedwillige spotters. Of zoals Paulus het zegt in Kolossenzen 4: 5, 6: Wandelt met wijsheid bij degenen die buiten zijn, den bekwamen tijd uitkopende. Uw woord zij allen tijd in aangenaamheid, met zout besprengd, opdat gij moogt weten hoe gij een iegelijk moet antwoorden. Er is genade en wijsheid van boven nodig om het juiste woord op het juiste moment te spreken.
Oordelen in liefde en waarheid
Kortom, het is bepaald onbijbels om in het algemeen te stellen dat we niet moeten oordelen zoals mevrouw Boersma deed. Het is zelfs een gebod om het wél te doen. Maar het moet gebeuren met wijsheid, voorzichtigheid, nederigheid en liefde. De Heere Jezus gaf Zélf een onovertroffen voorbeeld toen een overspelige vrouw bij Hem werd gebracht die op heterdaad betrapt was. Er kwam ogenschijnlijk geen woord van veroordeling over Zijn lippen. Die van ulieden zonder zonde is, werpe eerst den steen op haar, sprak Hij (Joh. 8:7).
Maar nadat alle beschuldigers er een voor een vandoor zijn gegaan en Hij alleen met haar is overgebleven, zegt Hij: Vrouw, waar zijn deze uw beschuldigers? Heeft u niemand veroordeeld? En zij zeide: Niemand, Heere. En Jezus zeide tot haar: Zo veroordeel Ik u ook niet; ga heen en zondig niet meer. Het punt is hier niet dat de Heere Jezus haar niet veroordeelt, maar dat Hij niets meer hoeft te zeggen. De vrouw beseft voluit dat ze doodschuldig is. Vandaar dat Hij slechts zegt: ga heen en zondig niet meer. Hij bedekt de zondigheid niet met de mantel der liefde, maar vermaant haar op de meest liefdevolle en volmaakt doeltreffende wijze. Zonder één woord teveel te zeggen. Geve de Heere ons genade om zo te mogen oordelen, in liefde en waarheid!
Dit artikel verscheen in De Wachter Sions (kerkblad van de Gereformeerde Gemeenten in Nederland) van 22 januari 2026. Hetzelfde thema wordt behandeld in dit artikel van Struggel. Het is nuttig om de overeenkomsten en verschillen te overdenken.











