Je bekijkt nu De zonde van vergeving (1)
Man steekt zijn hand uit_Freepik

De zonde van vergeving (1)

  • Bericht auteur:
  • Berichtcategorie:Geen categorie
  • Laatste wijziging in bericht:30 januari 2026
  • Leestijd:14 min. lezen
Leestijd: 9 minuten

Het is wellicht moeilijk te geloven dat het in bepaalde omstandigheden zondig kan zijn om te zeggen: “Ik vergeef je.” Maar dat hoeft geen verbazing te wekken. Een van de meest zegenrijke handelingen onder Gods volk – de verklaring van de ene zondaar aan de andere: “Ik vergeef je” – kan worden misbruikt om een doel te dienen dat haaks staat op het doel waarvoor de Heere het heeft bedoeld.

Christenen moeten zich niet alleen bewust zijn van deze mogelijkheid, maar er ook rekening mee houden. Aangezien de duivel zich voordoet als een engel des lichts en mannen en vrouwen ronselt om voor hem te werken (2 Kor. 11:14, 15), mogen wij niet onwetend zijn over zijn listen (2 Kor. 11:2), ook niet in dit geval. De duivel is zo vastbesloten om het gezegende werk van God te vernietigen dat hij in feite datgene wat het toonbeeld van christelijk gedrag zou moeten zijn, kan nemen en het antichristelijk kan maken.

Het is mogelijk dat de daad van vergeving een zondige daad wordt.

De belangrijkste manier waarop deze zonde wordt begaan, is wanneer de reactie op een zeer ernstige zonde automatisch is: “Ik vergeef je.” Degenen die dit hebben gedaan, beseffen misschien niet dat dit zondig was, maar wij hebben onderwijs nodig om het als zondig te zien.

Ik zag de uitdrukking “De zonde van vergeving” voor het eerst in de kop van een krantenartikel, zo’n 25 jaar geleden, waarin de auteur zijn afschuw uitsprak over een dergelijke verklaring. Een veertienjarige middelbare scholier in West Paducah, Kentucky, vermoordde drie van zijn tienerklasgenoten terwijl zij aan het bidden waren. Vrijwel onmiddellijk verklaarden leerlingen van een andere gebedsgroep automatisch aan de moordenaar: “Wij vergeven je.” De geschokte auteur van het artikel noemde hun vergeving ‘de zonde van vergeving’.

 Deze uitdrukking verbaast de lezer wellicht, maar de aanleiding voor een redactioneel artikel over dit onderwerp niet. Wanneer een afschuwelijke zonde wordt begaan – bijvoorbeeld wanneer een sterk persoon zijn macht gebruikt om iemand die zwakker is schade te berokkenen, bijvoorbeeld voor zijn eigen seksuele genot – is het een zonde om de zondaar automatisch te vergeven. De zonde is nog erger wanneer het slachtoffer onder druk wordt gezet om de dader onmiddellijk en automatisch te vergeven. Dit is een actueel voorbeeld waar velen zich in kunnen herkennen, maar het onderwerp geldt ook in andere situaties. Niemand mag iemand die een ernstige zonde begaat automatisch vergeven. Dat te doen is zonde.

Gods vergeving

Om te begrijpen hoe zo’n gezegende daad zondig kan worden, is een zorgvuldig begrip nodig van wat onze daad van vergeving eigenlijk inhoudt. Wat betekent het om iemand te vergeven?

Omdat onze daad van vergeving naar Gods voorbeeld moet zijn, moeten we eerst Gods daad onderzoeken. Hier leggen we zorgvuldig de basis.

Fundamenteel en centraal

De zegen van Gods woorden “Ik vergeef u” vormen de kern van het christelijke Evangelie. Jezus leerde ons om, na stoffelijke zaken, voor deze geestelijke zaak te bidden: “Vergeef ons onze schulden”. Van alle zegeningen van de verlossing voor dit leven noemt de Apostolische Geloofsbelijdenis vergeving, niet omdat de andere niet belangrijk zijn, maar omdat deze fundamenteel is. Alleen vanwege vergeving is er “de opstanding des vleses” en “het eeuwig leven” en alle andere genaden van de verlossing. Calvijn zei: “Het Evangelie laat de verlossing van de mens bestaan uit de vergeving van zonden…” (Commentaar op Joh. 20:23). De Nederlandse Geloofsbelijdenis zegt dat “onze gelukzaligheid gelegen is in de vergeving onzer zonden”. Na Jezus’ opstanding en vóór Zijn hemelvaart leerde Hij de Emmaüsgangers dat de boodschap die aan de wereld verkondigd moest worden “bekering en vergeving der zonden” was.

Een verklaring, geen beslissing

Gods vergeving van ons is een uitspraak[1] die Hij doet. Gods vergeving heeft ongetwijfeld een eeuwige bron: Zijn besluit. Echter, dit besluit is nog geen vergeving. Gods vergeving heeft een rechtsgrond: het offer van Christus om voor de zonde te betalen. Echter, ook dit is nog geen vergeving. Vergeving is Gods verklaring[1] aan het geweten van een mens, in de vierschaar van zijn consciëntie, “Ik vergeef u.” Volgens de betekenis van het Griekse woord voor vergeving (“vrijlaten, loslaten”) is Zijn verklaring: “Ik ontsla u van de verantwoordelijkheid om voor uw zonde te betalen; ik zal het voorbijgaan, niet aan u denken in het licht daarvan, en het geen scheiding tussen ons laten zijn.” Wat God in de eeuwigheid heeft bepaald en gegrondvest in de betaling aan het kruis, moet Hij nu aan ons meedelen[1]: “Ik vergeef u.” Ter illustratie: een rechter kan zijn beslissing om een veroordeelde en gevangen crimineel gratie te verlenen op papier hebben gezet, maar de veroordeelde crimineel moet de rechter die beslissing aan hem horen uitspreken. Dat is vergeving.

Soms ontstaat hier verwarring. Sommigen verwijzen naar Gods beslissing om te vergeven (Zijn eeuwige besluit) als vergeving, en plaatsen vergeving dus in de eeuwigheid. Anderen verwijzen naar de voldoening die aan het kruis is gedaan als vergeving en zien vergeving als een gebeurtenis van 2000 jaar geleden. Dat is misschien legitiem als het kruis in figuurlijke zin vergeving afbeeldt, zoals ‘handhulp betekent in ‘steek eens een hand uit’ of ‘kroonkoning betekent. In al deze voorbeelden wordt iets dat in nauw verband staat tot wat anders, gezegd dat andere te zijn. Dan kan ‘het kruis’ ‘vergeving’ worden genoemd, omdat het kruis zo fundamenteel is voor vergeving.

Maar als men het verschil tussen het kruis en vergeving niet ziet, leidt dat tot verwarring. Dit verklaart, denk ik, de gangbare praktijk om te bidden om de zekerheid van vergeving in plaats van om vergeving zelf. Als vergeving in de eeuwigheid plaatsvond, of voltooid werd aan het kruis, dan is mijn enige behoefte op dit moment de zekerheid van die werkelijkheid. Maar als vergeving dagelijks plaatsvindt als Gods verklaring aan mij, dan moet ik om vergeving vragen, en niet alleen om de zekerheid daarvan. Natuurlijk moeten we vergeving altijd in verband brengen met Gods besluit en het kruis van Christus. Maar Gods eeuwige besluit en het volmaakte offer van Christus moeten nu aan de zondaar worden toegepast in Gods daad van vergeving – Zijn dagelijkse verklaring aan de zondaar: “Ik vergeef u.”

Vergeving voor boetvaardige zondaars

God verklaart aan Zijn volk de vergeving wanneer zij zich bekeren en Christus door geloof omhelzen. “Maar ik beleed, na ernstig overleg (…) Gij naamt die gunstig weg”, zingen we in Psalm 32. “Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve” (1 Joh. 1:9). De Nederlandse Geloofsbelijdenis leert dat de zegeningen van Christus, in het bijzonder vergeving, de onze worden “wanneer wij in Hem geloven” (Art. 23). Als een mens zich niet bekeert en Christus aanneemt, kan het weliswaar waar zijn dat Christus aan het kruis voor zijn zonden heeft betaald omdat God hem in de eeuwigheid heeft uitverkoren, maar de onboetvaardige mens zal God niet tot zijn geweten horen zeggen: “Ik vergeef u.” In plaats daarvan worden zijn beenderen oud in hun brullen, dag en nacht. Dag en nacht rust Gods zware hand op hem. Maar wanneer hij zijn overtreding eigent (erkent), zijn zonde niet voor God verbergt, dan spreekt God de heerlijke woorden: “Ik vergeef u.”

De kerk en de vergeving

Dit alles verklaart waarom christenen dagelijks bidden: “Vergeef ons onze schulden”, in plaats van: “Verzeker mij dat mijn schulden vergeven zijn”. Maar dit alles verklaart ook waarom de kerk zonden kan vergeven. Jezus zei tegen Zijn kerk: “Zo gij iemands zonden vergeeft, dien worden ze vergeven” (Joh. 20:23), waarbij vergeven hetzelfde betekent als kwijtschelden. Natuurlijk betaalt geen enkele kerk voor de zonden. Maar de kerk vergeeft zonden wanneer zij namens God Gods vergeving verkondigt aan boetvaardige en gelovige zondaars. Calvijn zei dat Christus “hen [Zijn dienaren] opdraagt de vergeving van zonden te verkondigen…” En “…de vergeving van zonden… is aan hun zorg toevertrouwd.” In een ondergewaardeerde Zondag (31) leert onze Heidelbergse Catechismus dat de kerk dit alleen verkondigt aan hen die zich bekeren en het Evangelie door geloof aannemen. Aan hen die ongelovig en onboetvaardig zijn, verkondigt de kerk het tegenovergestelde: zij bevinden zich buiten het koninkrijk. Dat wil zeggen dat hun zonden “gehouden” blijven (Joh. 20:23) of tegen hen worden gebruikt. Om het in termen van de christelijke tucht te zeggen, wat hier eigenlijk het onderwerp is, onderwijst de Dordtse Kerkorde de kerkenraden om een zondaar alleen te ontvangen en te verzoenen – dat wil zeggen, vergeving te verkondigen – wanneer er “zekere tekenen van boetvaardigheid” zijn (art. 75). Berouw – en zekere tekenen daarvan – gaat aan de verkondiging van vergeving door de kerk vooraf.

Samengevat: Vergeving van God is Zijn verklaring aan boetvaardige zondaars op grond van de voldoening van Zijn gerechtigheid aan het kruis: “Ik ontsla u van de verantwoordelijkheid om voor uw zonde te boeten. Uw zonde zal nooit ter sprake komen in mijn omgang met u. Ik zal niet aan u denken in het licht daarvan.” Het ontbreken van berouw bij een mens betekent dus niet dat Christus niet voor hem is gestorven of dat God niet heeft besloten hem te behouden, maar het betekent wel dat God niet tegen hem zal zeggen: “Ik vergeef u.”

Vergeving door de mens

Onze vergeving van andere zondaars moet zoveel mogelijk overeenkomen met die van God aan ons. “Vergeef ons… gelijk wij vergeven…” Onze vergeving van de zonde van een ander is dus onze verklaring aan de zondaar: “Ik vergeef u.” De zondaar hoort ons dit rechtstreeks tegen hem zeggen.

Ook hier – bij de vergeving door de mens – ontstaat er verwarring. In een recente en verder goede toespraak van een nationaal bekende christelijke spreker kwam de definitie van vergeving niet uit de Bijbel, maar van Miriam Webster. Die definitie had wel enige waarde, maar miste het wezenlijke element van het doen van een verklaring aan de zondaar. In een podcastpreek die ik onlangs ontving, definieerde de predikant vergeving als “zich identificeren met de overtreder en innerlijk zijn schuld betalen”. Vergeving is voor deze sprekers iets dat in ons plaatsvindt – een handeling en een beslissing in mijzelf. Voor hen is vergeving het opgeven van wrok of bitterheid, het opgeven van een eis tot vergelding of wraak, het opgeven van de wens dat de ander voor de zonde boet. Dit is een gangbare opvatting in de huidige samenleving en omvat misschien zelfs een deel van wat God van ons verlangt van hen tegen wie gezondigd is, maar het is niet de Bijbelse vergeving zelf. We moeten onze ideeën over Bijbelse begrippen uit de Bijbel halen.

 Als Gods vergeving van ons een verklaring is dat Hij ons niet naar onze zonde zal behandelen, dan moeten wij dat ook verklaren aan de zondaar. Als God in Zijn vergeving tegen ons zegt: “Ik zal de zonde nooit ter sprake brengen om u ernaar te oordelen”, dan moeten wij tegen de zondaar zeggen: “Ik zal het nooit ter sprake brengen om u ernaar te oordelen.” Als God zegt: “Ik zal niet aan u denken in het licht daarvan, ik zal het niet gedenken”, dan is dat wat wij moeten zeggen. Als God zegt: “Wat die zonde betreft, dat is afgedaan”, dan moeten wij tegen de zondaar zeggen: “De zaak is tussen ons afgedaan!”

 En als Gods verklaring aan ons komt wanneer wij ons bekeren en niet daarvoor, dan moet onze verklaring komen wanneer de zondaar zich bekeert, en niet daarvoor. Aangezien de regel voor Gods omgang met ons is: “Toen ik mijn overtreding beleed, vergaaft gij mij” (Ps. 32), is de regel in onze omgang met elkaar: “Indien uw broeder tegen u zondigt, zo bestraf hem; en indien het hem leed is, zo vergeef het hem.” (Lukas 17:3).

De zonde van vergeving

Het vergeven van een broeder die ernstig gezondigd heeft voordat hij zich bekeert of die weigert zich te bekeren, is dus “de zonde van vergeving”.

Wanneer we denken dat we automatisch en snel tegen iedereen die zondigt, moeten zeggen: “Ik vergeef je”, dan zondigen we.

Natuurlijk is wat sommigen bedoelen wanneer ze zeggen: “Ik vergeef je”, misschien geen zonde, maar dan is het ook geen vergeving.  Zij doelen op hun besluit om niet verbitterd of wraakzuchtig te zijn, niet terug te slaan, zich niet door woede te laten meeslepen, een besluit om verder te gaan te leven zonder aan de zonde te denken, zodat het hen niet blijft beheersen. God verlangt deze toezeggingen van ons; ze zijn noodzakelijk voor geestelijke gezondheid. Maar ze worden geen ‘vergeving’ genoemd.

Sommigen noemen deze beslissingen om niet verbitterd te zijn en dergelijke ‘vergevingsgezindheid’, die volgens hen automatisch vereist is, in tegenstelling tot ‘dadelijke[2]vergeving’, waarbij een verklaring aan de zondaar wordt afgelegd. Dit is nuttig om christenen eraan te herinneren dat een juiste houding vooraf moet gaan aan elke handeling, en dat de juiste houding zelfs al lang aanwezig kan zijn voordat er actie wordt ondernomen. Maar het verwart een gezindheid met een zeer belangrijke handeling.

Geen enkele christen mag tegen een onboetvaardige zondaar zeggen: ‘Ik zal dit nooit meer ter sprake brengen. Ik zal nooit meer aan u denken in het licht van deze zonde. Het onderwerp van uw zonde is voor altijd afgesloten tussen u en mij.’ Dat zou de zonde van vergeving zijn.

Het zou een zonde zijn om dat te doen, want als mijn naaste geen berouw toont over zijn grove zonde, mag ik niet ophouden er met hem over te spreken. Als hij zijn zonde niet belijdt, is het Gods roeping voor mij om hem lief te hebben door hem op een vriendelijke manier met zijn zonde te confronteren. Zelfs als hij snel zegt: “Ik heb berouw”, maar laat zien dat hij geen berouw heeft door niets te doen om zich van de zonde af te keren, mag ik hem niet zeggen dat ik het onderwerp nooit meer met hem zal bespreken. Ik moet hem zelfs beloven dat ik snel terugkom met getuigen om hem bewust te maken van zijn zonde en van de genade van vergeving voor boetvaardige zondaars door het kruis van Christus. Ik zal de zonde blijven aankaarten door er verslag van te doen bij de ouderlingen, zodat zij met hem kunnen werken aan zijn bekering. Omdat ik hem liefheb, zal ik hem niet vergeven, dat mag ik niet.

Voortijdige vergeving kan zelfs een daad van egoïsme zijn. Ik heb het nodig voor mijn eigen welzijn. Ik wil niet verbitterd zijn, geen wrok koesteren, niet beheerst worden door het verleden. Vergeving is dus niet voor hem, maar voor mij.

En een oproep om onmiddellijk en automatisch te vergeven is misschien wat een zondaar vraagt die geen berouw wil tonen – echt berouw – over zijn zonde, maar ermee door wil gaan zonder zich te storen aan de moeilijke oproep om de diepte en de gevolgen van de zonde onder ogen te zien.

In wezen staat ‘de zonde van vergeving’ het ware vergeven in de weg, waarbij een mens ootmoedig tegen zijn naaste zegt (beiden zijn rechtvaardig voor God onder het kruis van Christus!): ‘Ik vergeef je.”

Natuurlijk kunnen deze uitspraken evenveel vragen oproepen als ze proberen te beantwoorden. ‘Roept Jezus ons niet op om zeven maal zeven maal te vergeven? Is vergeven geen daad van genade en toont het onthouden van vergeving niet aan dat ik geen genade ken? Bedekt liefde de zonde niet, in plaats van er voortdurend mee te confronteren? Als u niet vergeeft, zal er dan geen wortel van bitterheid in u opkomen? Hierover in een volgende aflevering.


[1] Engels: declaration. Dat wil zeggen, een verklaring, uitspraak, mededeling of bekendmaking (vert.)
[2] Engels: transactional. Dat wil zeggen, door een handeling of daad (vert.)

Bron: The Standard Bearer – 2022, jaargang 99, nummer 3. Het artikel is vertaald door Pro Deo Translations.