Er is in onze huidige maatschappij veel aandacht voor woorden. “Inclusief taalgebruik” is heel belangrijk. Geen brandweerman, maar brandweermedewerker. Geen dames en heren, maar beste mensen. Onlangs concludeerde het parlement in New York: geen vader en moeder maar ‘zwangerschapsouder’ en ‘niet-zwangerschapsouder’1 Een hele mond vol… Alles in de naam van inclusiviteit.
Over de absurde uitwerking hiervan schreef ik al eerder (hier en hier). Waar ik deze week aan moest denken was hoe makkelijk het is om de juiste woorden te gebruiken en dan het gevoel te hebben dat je een goede daad verricht hebt. Het is niet zo moeilijk om ergens een regenboogsticker op te plakken, of je brief te beginnen met ‘geachte geadresseerde.’ Dat kost je niets, maar zo kan je toch laten zien dat je hoort bij de groep die aan de ‘juiste’ kant van de geschiedenis staat. Virtue signalling voor een makkelijk verdiend schouderklopje.
Met aangepast taalgebruik zijn echter maar heel weinig mensen echt geholpen. Er worden sloten met geld uitgegeven (de omstreden taalgids van het ministerie van OCW kostte €40.000), maar het levert niets op. Althans, behalve verwarring, verdeeldheid of zelfs normalisering van zonde, levert het niet werkelijke inclusiviteit op. Dat kost namelijk veelal wel geld en moeite.
Ik denk bijvoorbeeld aan een vriendin die een rolstoel gebruikt. Afgelopen zaterdag waren we samen op een bruiloft. De website van de locatie was vol van mooie woorden: inclusief en rolstoelvriendelijk. Daar aangekomen bleek de locatie volledig omgeven door (prachtige, maar zeer rolstoel-onvriendelijke) kasseien. Er was een klein stukje met gladde tegels, net tot aan de ingang, maar de tuin en het terras waren ontoegankelijk. Laat daar op een mooie zonnige dag nu net het feest plaatsvinden.
Het is voor lichamelijk gezonde mensen moeilijk voor te stellen wat een handicap betekent in het dagelijks leven. Daarom zou meer aandacht voor inclusie op dat gebied echt winst zijn. De Bijbel roept ons op om oog te hebben voor elkaar (Filippenzen 2:4) en om hen die in nood zijn praktisch bij te staan (Jakobus 2:15-17, 1 Johannes 3:18). Een gebouw zonder drempels of met geschikte hellingen, en een toilet waar een rolstoelgebruiker zonder zijn of haar waardigheid te verliezen naar de WC kan, zijn een goed begin. In de kerk kunnen we denken aan groot-letterbijbels, een gebarentolk of zelfs een vertaalapp om bijbels inclusief te zijn.
Als Christenen hebben we misschien wel een beter woord voor inclusiviteit: dienstbaarheid. Werkelijk naar elkaar omzien, ook als dat wat kost. Ik kan geen beter voorbeeld bedenken dan die van een bevriende predikant die op zondagochtend voor de dienst de tijd nam om het kapotte gehandicaptentoilet te repareren om vervolgens op de preekstoel het Woord van de Heere te verkondigen.
Inclusiviteit in een wereld zonder God bestaat veelal uit lege woorden. Het is makkelijk om ergens een regenboogvlag op te hangen, of de woorden ‘vader’ en ‘moeder’ te vermijden. Christelijk omzien naar een ander is echter geen kwestie van mooie woorden. Dat kost geld, tijd en energie. Maar dan laten we wel echt zien dat iemand belangrijk voor ons is.