Is het zwijgen van de vrouw in de kerk niet oneerlijk?

Vrouw zit in kerk
Leestijd: 3 minuten

“Dominee, beseft u wel dat het heel moeilijk is voor een opgeleide vrouw om de hele tijd te moeten luisteren naar mannen en zelf stil te blijven?” Die opmerking van een zuster deed me opnieuw beseffen hoe groot de kloof is tussen behoudende christenen en de rest van (kerkelijk) Nederland.

Tegelijkertijd begreep ik haar. Ik heb dat ook wel eens in preken benoemd. Een opgeleide christelijke vrouw die meer weet dan haar man of de ambtsdragers in de gemeente, kan in onze tijd gemakkelijk gefrustreerd raken door de onkunde en kortzichtigheid van mannen. Het is bovendien een gevoel dat wordt aangemoedigd door de wereld om ons. We leven immers in een tijd waarin iedereen, (dikwijls niet gehinderd door kennis van zaken,) mag en wil meepraten over alles. De Bijbel ziet dat echter heel anders. Bijvoorbeeld, het is volgens de Schrift juist een beklagenswaardige situatie als vrouwen en kinderen de macht grijpen en hun wil aan het politiek bestel opleggen (Jes. 3:12). Wie gelooft dat dit geen achterhaalde tekst van vroeger is, maar ook het Woord van God voor onze tijd, staat dus voor uitdagingen.

Ingrijpende veranderingen in de samenleving

De Nederlandse samenleving is de afgelopen zeventig jaar ingrijpend veranderd. God en kerk zijn verdwenen uit het hart van ons volksbestaan. Eigenlijk hebben we ook geen volksbestaan meer, behalve bij het voetballen. Vroeger was een volk je wijdere familie. Nu ook nog, maar we durven het niet meer benoemen, uit vrees om voor racist te worden aangezien. Niet langer het gezin, maar het individu is de basis. Voor rechten en plichten.

Waar vrouwen vroeger vanaf het huwelijk hun betaalde baan opgaven, zijn fulltime huisvrouwen zelfs in jonge reformatorische gezinnen de uitzondering. Pas in 1955 stemde de Kamer voor opheffing van het arbeidsverbod voor gehuwde vrouwen in overheidsdienst. Maar zelfs toen legde de regering het besluit nog naast zich neer. Voorwaar andere tijden. Vanaf 1956 werd de getrouwde vrouw handelingsbevoegd voor de wet en kon ze zonder haar man financiële besluiten nemen. Weinigen beseffen tegenwoordig hoe het onderwijs in Nederland ingrijpend veranderde door de Mammoetwet in 1968. Hiermee kregen jongens en meisjes toegang tot alle beroepsopleidingen. Het tot dan toe gescheiden onderwijs op katholieke scholen werd uniseks.

We werden ook baas in eigen buik. In 1969 volgde de opheffing van het verbod op voorbehoedmiddelen. Inderdaad, voorbehoedmiddelen waren in Nederland verboden, behalve op voorschrift van de huisarts. Tot 1971 bepaalde het burgerlijk wetboek dat de man het hoofd van de echtvereniging is. Dit wetsartikel werd in dat jaar geschrapt en de echtscheidingswet werd verruimd. In de jaren zestig kwam ongetrouwd samenwonen bijna niet voor. In 1975 woont echter al zo’n 50% van de kerkelijke jeugd in grote kerkverbanden ongetrouwd samen zonder belofte van trouw (zie CBS).  Ontwikkelingen kunnen hard gaan.

Vroeger was niet alles beter

Toch was vroeger was niet alles beter. Er was onrechtvaardigheid en uitbuiting in arbeidsverhoudingen. Ook mijn moeder had graag meer willen en kunnen doen dan de mulo. De emancipatie van de ‘kleine luyden’ en later die van de vrouw, kwamen niet uit de lucht vallen. Toch moeten we onszelf de vraag stellen in hoeverre dingen echt “oneerlijk” waren. Of komt dit vooral door onze nieuwe manier van kijken? Is het werkelijk onrechtvaardig, vanuit Gods perspectief, dat een getrouwde vrouw haar handelingsbevoegdheid verloor, vanuit het Bijbelse verbondsdenken? Nee, de getrouwde vrouw werd eigendom van haar man. Dat horen we iedere week in de kerk bij het lezen van het Tiende Gebod (Ex.20:17). Maar geloven we het nog? Of vinden wij dit ook oneerlijk? Hebben we dan niet ten diepste het wereldbeeld en verwachtingspatroon van onze tijd overgenomen?

Onrechtvaardigheid (durven) signaleren en aanpakken, is iets anders dan gelijkheidsdenken bevorderen. Ook de Bijbel bevat talloze bladzijden over de noodzaak van rechtvaardig leven en het eerlijk behandelen van mensen, juist van hen die kwetsbaar zijn. De kleine profeten, zoals Amos (2:6, 5:12), maar ook de brief van Jacobus bepalen ons daarbij. Daartegen is vroeger veel gezondigd: tegen secretaresses, dienstbodes en huisvrouwen. Echter, gaven en bekwaamheden zijn niet normatief in zichzelf. We moeten ook Gods maatstaf aanleggen voor hoe en waar het gepast is om die in te zetten. Niet denken vanuit rechten, maar vanuit de gezindheid van Christus en op de plaats die we innemen in Zijn lichaam, de Kerk.

Ook interessant

Commentaar: Maria. God negeert vrouwen niet

In de Apostolische Geloofsbelijdenis worden slechts twee menselijke personen bij name genoemd, een gelovige en een ongelovige. Beiden vormden ze een belangrijke