Rapport van de Ad Interim Commissie Menselijke Seksualiteit aan de 48e generale synode van de Presbyterian Church in America

2019-2020

Inleiding
Deze commissie heeft van de generale synode van 2019 opdracht gekregen om
het thema van de menselijke seksualiteit, met bijzondere aandacht voor de problematiek van homoseksualiteit, aantrekking tot hetzelfde geslacht en transgenderisme,
te bestuderen en daarover een rapport op te stellen. Het was niet onze taak om alle aspecten van de menselijke seksualiteit aan de orde te stellen, maar ons te beperken tot specifieke punten van zorg in ons kerkverband.

Het door de synode aanvaarde voorstel bevat een lijst met een aantal zaken waarvan ze graag zou zien dat die in het verslag aan de orde komen, waaronder:

1. de aard van seksuele zonde, verzoeking en mortificatie;[1]
2. of het voor een christen al dan niet gepast is om zich een ‘christenhomo’ te noemen;
3. of het al dan niet gepast is om te spreken van een homoseksuele ‘gerichtheid’;
4. recente praktische gevallen waarin christenen die zich aangetrokken voelden tot hetzelfde geslacht, in de christelijke gemeenschap werden opgenomen.

Dit alles met speciale aandacht voor passages uit de Schrift en de belijdenisgeschriften die relevant zijn voor deze thema’s.

De lijst met de ons aangereikte thema’s is lang en we hebben geprobeerd ze zo direct mogelijk aan de orde te stellen in deze inleiding en de daaropvolgende 12 stellingen. Wij hopen dat deze stellingen gezien hun lengte heel geschikt zijn voor brede verspreiding en algemeen gebruik in de kerk. De inleiding en stellingen zijn een samenvatting van onze discussies en overtuigingen, en bieden een theologisch en pastoraal kader voor alle andere onderdelen van dit rapport. Onze commissie heeft zeer uitvoerige en gedetailleerde discussies over deze twee documenten gevoerd. Daarin hebben we de meest cruciale kwesties zorgvuldig afgewogen om op grond van Schrift en belijdenis argumenten aan te reiken die, naar we hopen, onze kerken, gezinnen en vrienden duidelijkheid en eenheid over deze gevoelige onderwerpen zullen brengen.

Onze commissie heeft ook toelichtende opstellen van onze leden verzameld waarin kwesties aan de orde komen die ons door de Synode zijn aangereikt. Deze opstellen hebben wij bij dit rapport gevoegd, omdat wij allen –zonder de manier waarop iedere gedachte wordt verwoord meteen te onderschrijven– geloven dat ze nuttig zullen zijn in het verklaren van de kernnoties achter onze 12 stellingen. Tot slot hebben we een literatuurlijst samengesteld met geselecteerd materiaal waarvan we geloven dat het nuttig zal zijn voor de verschillende geledingen van onze kerk die zich nader over deze kwesties wensen te informeren. In deze literatuurlijst hebben we materiaal aangereikt voor een heel verschillend publiek (predikanten, wetenschappers, ouders, kinderen, enz.). Het is niet ons doel om een volledige lijst van al het beschikbare materiaal aan te bieden (dat zou een onbalans geven in de diverse elementen en doeltreffendheid van dit rapport), maar om de kerk te helpen door een keus te maken uit het materiaal dat het bruikbaarst is voor verschillende organisaties en verschillende oogmerken. Wij kunnen niet met elk woord of elke gedachte in zo’n grote verscheidenheid aan materiaal onze instemming betuigen (soms moeten we de geïnteresseerde lezers zelfs wijzen op bronnen die ze met de nodige voorzichtigheid dienen te raadplegen). Ons doel met onze begeleidende opmerkingen is onze lezers leiding te geven met het Bijbelse onderscheidingsvermogen dat nodig is om vast te houden wat goed is en op de juiste wijze te ziften wat on-Bijbels of minder zeker is.

In al deze stellingen en opstellen onderscheiden wij twee overkoepelende focuspunten. Deze kunnen worden verwoord als twee belangrijke taken voor de kerk in onze tijd. Deze taken corresponderen met twee tegenstelde vormen van vrees.

De twee taken zouden we de ‘pastorale taak’ en de ‘apologetische taak’ kunnen noemen. Enerzijds vraagt voorstel 42 om met het rapport ‘predikanten en kerkenraden te helpen pastorale zorg te geven aan gemeenteleden die zich aangetrokken voelen tot hetzelfde geslacht’. Anderzijds vraagt het om ‘handvatten voor het verwoorden en verdedigen van een Bijbels begrip van homoseksualiteit, homoseksuele gevoelens en transgenderisme in de context van een cultuur die dat begrip ontkent’.

Er is geen reden waarom deze twee taken tegen elkaar uitgespeeld zouden moeten worden, hoewel ze wel vaak met elkaar overhoop lijken te liggen. Een van de redenen daarvoor is dat aan beide taken een vorm van vrees verbonden is.

De ene vorm van vrees is dat we hardvochtig en gevoelloos zullen zijn tegenover mensen die gewond en diep gekwetst zijn – en dat dikwijls door de kerk. Het gebruik van directe, harde bewoordingen tegenover hen kan het alleen maar gemakkelijker maken om de kerk bij mensen in diskrediet te brengen. Als gevolg daarvan zijn velen bang dat de kerk zal spreken op een manier die alleen maar het in deze cultuur dominante beeld bevestigt, dat het orthodoxe christelijke geloof beschadigde en worstelende mensen liefdeloos behandelt.

Een andere vorm van vrees is echter dat we compromissen zullen sluiten juist daar waar in onze cultuur de wereld de kerk aanvalt. We zien veel belijdende christenen en hele denominaties zwichten voor de seksuele revolutie. Daar willen we niet bij horen, en evenmin alvast subtiel zaden zaaien voor toekomstige capitulatie. Het natuurlijke gezin is een fundamentele eenheid in de menselijke samenleving en het gewone centrum van zorg en opvoeding. Daarom zijn alle zonden die het gezin bedreigen, ondermijnen of marginaliseren, tegelijk geestelijk gevaarlijk én schadelijk voor het menselijke welzijn.

Een deel van het probleem van het bespreken van deze thema’s is, dat velen van ons veel meer last hebben van de ene vorm van vrees dan van de andere. Maar omdat beide taken –de pastorale en de apologetische– nodig zijn, moeten we elk ervan nadrukkelijk aandacht geven.

Sinclair Ferguson herinnert ons er in zijn boek The Whole Christ aan dat wetticisme enerzijds en antinomianisme anderzijds de twee belangrijkste manieren zijn waarop compromissen worden gesloten met betrekking tot het Evangelie. Vervolgens zegt hij dat men gewoonlijk vervalt ‘in de fout om tot genezing van wetticisme een dosis antinomianisme voor te schrijven, en andersom, in plaats van het tegengif van het Evangelie te gebruiken: onze vereniging met Christus uit genade.’[2] Hij gaat verder met te stellen dat de kerk de hele Christus aan de wereld moet voorstellen, ‘gekleed in Zijn Evangelie.’[3] Jezus is zowel de Heilige als de Barmhartige. Hij reinigt de tempel maar eet met zondaars. Hij geeft Martha onderwijs (Joh. 11:25-26) maar Maria slechts tranen (Joh. 11:35), ook al hadden ze allebei hetzelfde tegen Hem gezegd over hun verdriet (Joh. 11:21, 32). Hij geeft elk van hen wat ze op dat moment het meest nodig hebben. Aan het kruis vervult Jezus zowel de onbuigzame eisen van de wet als de meest wonderbare voornemens van Gods liefde.

En zo moeten we ‘de hele Christus’ voorstellen, zowel wanneer we mensen pastorale zorg geven als wanneer we vandaag de dag met de wereld over seksualiteit en gender spreken. Jezus is vol van genade en waarheid. In de pastorale zorg moeten wij de waarheid niet zo hardvochtig toepassen dat ze gevoelloos vervreemdend is, en ook niet zo indirect dat de waarheid nooit duidelijk wordt begrepen.

De vorm waarin de volgende Twaalf Stellingen gegoten zijn, probeert deze ‘heelheid’ van ‘genade en waarheid’ een plaats te geven in de behandeling van de problematiek. Elke stelling is tweeledig: een verbinding van de ene waarheid met een daarmee samengaande waarheid of onderwijzing. Het is niet de bedoeling om tot een of andere abstracte intellectuele balans of ‘derde weg’ te komen, maar veeleer om het pad van theologisch rijke pastorale zorg te laten zien. De gekoppelde waarheden helpen een predikant om de tegenovergestelde fouten te vermijden van óf de waarheid te spreken zonder liefde, óf te proberen iemand lief te hebben zonder de waarheid te spreken.

Het pad van ‘genade en waarheid’ waar wij de kerk in dit rapport op wijzen, is geen gemakkelijk pad. De waarheid te spreken, maar dan wel in liefde, is bijna altijd moeilijker dan deze nodige aspecten van het hele Evangelie in twee alternatieven te scheiden. Het is voor ons, commissieleden, een grote vreugde geweest om, door met genade en waarheid te spreken, in de voortgang van ons gezamenlijke werk dit jaar een grotere geest en mate van onderlinge eenheid te ervaren dan we hadden verwacht. Ons gebed is dat onze hele kerk in toenemende mate diezelfde ‘enigheid des Geestes door de band des vredes’ (Ef. 4:3) mag ondervinden.

Twaalf Stellingen

Eerste stelling: het huwelijk
Wij bevestigen dat een huwelijk tussen één man en één vrouw gesloten moet worden (Gen. 2:18-25; Matth. 19:4-6; WCF 24.1). Seksuele intimiteit is een gave van God die moet worden gekoesterd en die is voorbehouden aan de huwelijksrelatie tussen één man en één vrouw (Spr. 5:18-19). Het huwelijk werd door God ingesteld tot wederzijdse hulp en zegen van man en vrouw, tot voortplanting en het gezamenlijk grootbrengen van godzalige kinderen en tot het voorkomen van seksuele onzedelijkheid (Gen. 1:28; 2:18; Mal. 2:14-15; 1 Kor. 7:2,9; WCF 24.2). Het huwelijk is ook een door God ingesteld beeld van de verhouding tussen Christus en de gemeente (Ef. 5:22-33; Openb. 19:6-10). Alle andere vormen van seksuele intimiteit, met inbegrip van alle vormen van wellust en alle soorten van seksuele activiteit met hetzelfde geslacht, zijn zondig (Lev. 18:22; 20:13; Rom. 1:18-32; 1 Kor. 6:9; 1 Tim. 1:10; Jud.:7; WLC 139).[4]

Niettemin geloven wij niet dat seksuele intimiteit in het huwelijk automatisch ongewenste seksuele begeerten uitbant, of dat alle seks binnen het huwelijk zondeloos is (WCF 6.5). Wij allen hebben Gods genade nodig voor seksuele zonde en verzoeking, of we nu getrouwd zijn of niet. Bovendien is seksuele immoraliteit geen onvergeeflijke zonde. Er is geen zonde zo klein dat ze niet de verdoemenis verdient, en geen zonde zo groot dat ze niet vergeven kan worden (WCF 15.4). Er is hoop en vergeving voor allen die van hun zonde berouw hebben en hun vertrouwen op Christus stellen (Matth. 11:28-30; Joh. 6:35, 37; Hand. 2:37-38; 16:30-31).

Tweede stelling: Gods beeld
Wij bevestigen dat God menselijke wezens heeft geschapen naar Zijn beeld als man en vrouw (Gen.1:26-27). Eveneens erkennen wij de goedheid van het menselijke lichaam (Gen.1:31; Joh. 1:14) en de roeping om God met ons lichaam te verheerlijken (1 Kor. 6:12-20). Als een God van orde en ontwerp verzet God Zich tegen de verwarring waarin een man zich als vrouw en een vrouw zich als man voordoet (1 Kor. 11:14-15). Hoewel situaties waarin van een dergelijke verwarring sprake is hartverscheurend en complex kunnen zijn, moeten mannen en vrouwen geholpen worden om te leven overeenkomstig hun biologische geslacht.

Niettemin moeten wij in ontferming dienende zorg geven aan degenen die werkelijk in verwarring zijn door hun innerlijke gevoel van genderidentiteit (Gal. 3:1; 2 Tim. 2:24-26). Wij erkennen dat de gevolgen van de zondeval zich uitstrekken tot de aantasting van onze hele natuur (WSC 18), waaronder soms ook hoe wij over ons eigen gender en onze seksualiteit denken. Bovendien kunnen sommige mensen in zeldzame gevallen een objectieve medische aandoening hebben waarin hun anatomische ontwikkeling ambigu is of niet overeenkomt met hun genetische chromosomale geslacht. Zij zijn evenzeer naar Gods beeld gemaakt en behoren volgens hun biologische geslacht te leven, voor zover men dat kan weten.

Derde stelling: aangeboren zonde
Wij bevestigen dat wij van de zonde van onze eerste ouders een geërfde schuld en een geërfde verkeerdheid hebben ontvangen (Rom. 5:12-19; Ef. 2:1-3). Uit deze aangeboren verdorvenheid –die zelf zondig is en om welke wij schuldig zijn– komen alle dadelijke overtredingen voort. Alle uitwerkingen van onze verdorven natuur (een verdorvenheid die gedeeltelijk ook na de wedergeboorte blijft bestaan) worden terecht en in eigenlijke zin ‘zonde’ genoemd (WCF 6.1-5).[5] Elke zonde, aangeboren en dadelijk, verdient de dood en maakt ons voorwerp van Gods toorn (Rom. 3:23; Jak. 2:10; WCF 6.6).[6] Wij moeten berouw hebben van onze zonde in het algemeen en van onze bijzondere zonden in het bijzonder (WCF 15,5). Dat wil zeggen: wij behoren bedroefd te zijn over onze zonde, onze zonde te haten, ons van onze zonde tot God te bekeren en te trachten met God te wandelen in gehoorzaamheid aan Zijn geboden (WCF 15.2).[7]

Niettemin wil God niet dat de gelovigen in blijvende ellende leven vanwege hun zonden, terwijl elke zonde vergeven en gedood is in Christus (WCF 6,5). Door de Geest van Christus zijn wij in staat om geestelijke vorderingen te maken en goede werken te doen, niet volmaakt maar wel oprecht goed (WCF 16.3).[8] Ook onze onvolmaakte werken worden aangenaam gemaakt door Christus, en het behaagt God ze te aanvaarden en te belonen als welbehaaglijk voor Hem (WCF 16,6).

Vierde stelling: begeerte
Wij bevestigen niet alleen dat onze neiging tot de zonde een gevolg is van de zondeval, maar ook dat onze gevallen begeerten in zichzelf zondig zijn (Rom. 6:11-12; 1 Petr. 1:14; 2:11).[9] De begeerte naar een ongeoorloofd doel –hetzij in seksuele begeerte naar een persoon van hetzelfde geslacht of in seksuele begeerte buiten de context van het Bijbelse huwelijk– is zelf een ongeoorloofde begeerte. Daarom is het ervaren van aantrekking tot hetzelfde geslacht niet moreel neutraal; de aantrekking is een uiting van de aangeboren of inwonende zonde die met berouw moet worden betreurd en gedood (Rom. 8:13).

Niettemin moeten wij vieren dat, ondanks de voortdurende aanwezigheid van zondige begeerten (en soms zelfs schandelijk zondig gedrag), berouwvolle, gerechtvaardigde en aangenomen kinderen van God vrij zijn van de verdoemenis door de toegerekende gerechtigheid van Christus (Rom. 8:1; 2 Kor. 5:21) en in staat zijn om God te behagen door in de Geest te wandelen (Rom. 8:3-6).

Vijfde stelling: (seksuele) begeerte
Wij bevestigen dat onreine gedachten en begeerten die vóór en los van een bewuste daad van de wil in ons opkomen, desondanks toch zonde zijn.[10] Wij verwerpen de rooms-katholieke idee van concupiscentie of begeerlijkheid, waarbij ongeregelde begeerten die ons ten gevolge van de zondeval teisteren, geen zonde worden zonder een toestemmende daad van de wil.[11] Deze begeerten in ons zijn niet slechts zwakheden of neigingen tot de zonde, maar ze zijn zelf afgodisch en zondig.[12]

Niettemin erkennen wij dat veel mensen die aantrekking tot hetzelfde geslacht ervaren, hun begeerten beschrijven als iets wat ongevraagd en ongewenst in hen opkomt. Wij erkennen ook dat de aanwezigheid van aantrekking tot hetzelfde geslacht dikwijls te wijten is aan vele factoren, waaronder altijd onze eigen zondige natuur en soms het feit dat in het verleden tegen de betreffende persoon is gezondigd. Zoals bij elk zondig patroon of elke zondige neiging –waaronder ongeregelde begeerten, buitenechtelijke wellust, pornografische verslavingen en alle verdorven seksueel gedrag– kunnen de daden van anderen van grote invloed zijn, hoewel nooit definitief bepalend. Dit behoort ons tot medelijden en begrip te bewegen. Bovendien geldt voor ons allen dat de zonde tegelijkertijd zowel gedwongen slavernij als afgodische rebellie kan zijn. Wij allen ervaren de zonde bij tijden als een soort vrijwillige dienstbaarheid (Rom. 7:13-20).[13]

Zesde stelling: verzoeking
Wij bevestigen dat de Schrift op verschillende manieren over verzoeking spreekt. Er zijn verzoekingen die God ons geeft in de vorm van moreel neutrale beproevingen; er zijn ook verzoekingen die God ons nooit geeft, omdat ze van binnenuit ontstaan als moreel ongeoorloofde begeerten (Jak. 1:2, 13-14).[14] Wanneer verzoekingen van buitenaf komen, is de verzoeking zelf geen zonde, tenzij wij zelf in de verzoeking meegaan. Maar wanneer de verzoeking van binnenuit ontstaat, is ze onze eigen daad en wordt ze terecht ‘zonde’ genoemd.[15]

Niettemin is er een belangrijke mate van moreel verschil tussen verzoeking tot zonde en toegeven aan zonde, ook wanneer de verzoeking zelf een uiting is van de inwonende zonde.[16] Hoewel het ons doel is om innerlijke verzoekingen tot zonde te verzwakken en te verminderen, behoren christenen zich niet het meest verantwoordelijk te voelen voor het feit dat zulke verzoekingen voorkomen. Zij zijn er verantwoordelijk voor onmiddellijk weg te vluchten van de verzoekingen en die te bestrijden zodra ze ontstaan. Wij kunnen voorkomen dat we een verzoeking ‘ingaan’ door te weigeren innerlijk het voorstel en de begeerte tot dadelijke zonde te overdenken en te overwegen. Zonder enig onderscheid tussen (1) de ongeoorloofde verzoekingen die in ons ontstaan ten gevolge van de aangeboren zonde en (2) het moedwillig toegeven aan dadelijke zonde, zullen christenen te zeer ontmoedigd raken om ‘alle naarstigheid toe te brengen’ om te groeien in godzaligheid en zullen ze zich een mislukkeling voelen in hun noodzakelijke inspanningen om heilig te zijn zoals God heilig is (2 Petr. 1:5-7; 1 Petr. 1:14-16). God heeft een behagen in onze oprechte gehoorzaamheid, hoewel deze gepaard kan gaan met veel zwakheden en onvolkomenheden (WCF 16.6).

Zevende stelling: heiliging
Wij bevestigen dat christenen immoreel gedrag moeten ontvluchten en niet voor verzoekingen mogen zwichten. Door de kracht van de Heilige Geest, Die door de gewone genademiddelen werkt, behoren christenen te staan naar het uitputten, verzwakken en doden van de onderliggende afgoderijen en zondige begeerten die tot zondig gedrag leiden. Het doel is niet slechts een consistent ontvluchten en consequent weerstaan van verzoeking, maar het verminderen en zelfs elimineren van zondige begeerten doordat de verlangens van iemands hart voortaan op Christus gericht worden. Door de kracht van Christus’ dood en opstanding kunnen wij wezenlijke vordering maken in de praktijk van ware heiligmaking, zonder welke niemand de Heere zien zal (Rom. 6:14-19; Hebr. 12:14; 1 Joh. 4:4; WCF 13.1).

Niettemin zal dit proces van heiliging –ook wanneer een christen ijverig en vurig is in het gebruik van de genademiddelen– altijd gepaard gaan met veel zwakheden en onvolkomenheden (WCF 16.5,6), waarbij de Geest en het vlees tegen elkaar strijden, tot de uiteindelijke heerlijkmaking (WCF 13.2). Een gelovige die met aantrekking tot hetzelfde geslacht worstelt, mag verwachten te zien dat de wedergeboren natuur in toenemende mate de overblijvende verdorvenheid van het vlees overwint, maar dit zal vaak langzaam en ongelijkmatig gaan. Bovendien heeft het proces van doding en levendmaking betrekking op de hele persoon, niet enkel op ongewenste seksuele begeerten. Het oogmerk van de heiliging in iemands seksuele leven kan niet worden beperkt tot aantrekking tot personen van het andere geslacht (hoewel sommige mensen een beweging in deze richting kunnen ervaren), maar omvat veeleer een toename in de genade en een voleindigen van de heiligmaking in de vreze Gods (WCF 13.3).

Achtste stelling: zondeloosheid
Wij bevestigen de zondeloosheid van Christus. De vleesgeworden Zoon van God heeft niet gezondigd (in gedachte, woord, daad of begeerte), noch de mogelijkheid om te zondigen gehad.[17] Christus heeft verzoeking passief ondervonden in de vorm van beproevingen en de verzoeken van de duivel, niet actief in de vorm van ongeregelde begeerten. Christus had alleen het lijdende deel van de verzoeking, terwijl wij ook het zondigende deel hebben.[18] Christus had geen inwendige gezindheid of neiging tot het minste kwaad; Hij was volmaakt in alle genaden en al hun werkingen te allen tijde.[19]

Niettemin doorstond Christus werkelijke verzoekingen van buitenaf, die Hem diep door de ziel gingen en Hem bekwaam maakten om onze medelijdende Hogepriester te zijn (Hebr. 2:18; 4:15). Christus heeft een menselijke natuur aangenomen die vatbaar was voor lijden en dood.[20] Hij was een Man van smarten en vertrouwd met leed (Jes. 53:3).

Negende stelling: identiteit
Wij bevestigen dat de belangrijkste identiteit van een gelovige in Christus wordt gevonden (Rom. 8:38-39; Ef. 1:4,7). Christenen behoren zichzelf te verstaan, zichzelf te definiëren en zichzelf te beschrijven in het licht van hun vereniging met Christus en hun identiteit als wedergeboren, gerechtvaardigde, heilige kinderen van God (Rom. 6:5-11; 1 Kor. 6:15-20; Ef. 2:1-10). Als wij identiteiten die wortelen in zondige begeerten toevoegen aan de term ‘christen’, is dat strijdig met de Bijbelse taal en een ondermijning van de geestelijke werkelijkheid dat wij nieuwe schepselen in Christus zijn (2 Kor. 5:17).

Niettemin is het belangrijk om eerlijk te zijn over onze worstelingen met de zonde. Terwijl christenen zich niet met hun zonde mogen identificeren, zodat ze haar omhelzen of proberen hun identiteit erop te baseren, moeten zij wel hun zonde erkennen in een poging haar te overwinnen. Er is verschil tussen het spreken over een feitelijk aspect van iemands (door de zonde aangetaste) bestaan of het gebruiken van de taal van zondige begeerten als uitdrukking van iemands persoonlijke identiteit. Dat wil zeggen: wij noemen wel onze zonden, maar wij worden niet naar onze zonden genoemd. Bovendien erkennen wij dat er bepaalde secundaire identiteiten zijn, wanneer ze niet geworteld zijn in zondige begeerten of worstelingen tegen het vlees, die legitiem samen met onze primaire identiteit als christen kunnen worden bevestigd. Bijvoorbeeld de onderscheidingen tussen mannelijk en vrouwelijk of tussen verschillende nationaliteiten en bevolkingsgroepen worden niet uitgewist wanneer wij christen worden, maar dienen om de heerlijkheid van God in Zijn heilsplan groot te maken (Gen. 1:27; 1 Petr. 3:7; Openb. 5:9; 7:9-10).

Tiende stelling: taalgebruik
Wij bevestigen dat men er in onze kerken verstandig aan zou doen om de term ‘christenhomo’ te vermijden. Hoewel de term ‘homo’ kan verwijzen naar meer dan alleen het aangetrokken worden tot personen van hetzelfde geslacht, houdt ze niet minder in dan dat. Voor veel mensen in onze cultuur suggereert het zichzelf identificeren als ‘homo’ dat men zich bezighoudt met homoseksuele praktijken. Op zijn minst geeft de term normaal gesproken te kennen dat seksuele aantrekking tot hetzelfde geslacht aanwezig is en wordt goedgekeurd als moreel neutraal of goed. Zelfs al betekent ‘homo’ voor sommige christenen eenvoudig ‘met aantrekking tot hetzelfde geslacht’, het blijft ongepast om deze zondige begeerte, of welke andere zondige begeerte ook, als identiteitsaanduider te plaatsen naast onze identiteit als nieuwe schepselen in Christus.

Niettemin erkennen wij dat sommige christenen de term ‘homo’ kunnen gebruiken in een poging om gemakkelijker begrepen te worden door niet-christenen. Het woord ‘homo’ is gangbaar in onze cultuur en wij achten het niet verstandig dat kerken gaan over elk gebruik van deze term. Het gaat er ons om dat we de worsteling met onze zonde niet rechtvaardigen door onze identiteit als christen daaraan te verbinden. Kerken moeten voorzichtig, geduldig en wijs omgaan met gelovigen die zichzelf ‘christenhomo’ noemen. Laten zij hen aanmoedigen om, als onderdeel van het heiligingsproces, onzuiver taalgebruik achterwege te laten, een kuis leven te leiden, niet in te gaan op verzoekingen en hun zondige begeerten te doden.

Elfde stelling: vriendschap
Wij bevestigen dat er in onze huidige kerkelijke cultuur te weinig aandacht voor vriendschap en te weinig waardering voor het alleen-zijn is. De kerk moet zich ervoor inspannen om alle leden, met inbegrip van gelovigen die worstelen met homoseksuele gevoelens, gewaardeerde leden van het lichaam van Christus te laten zijn, en dat zij de zegening van Gods huisgezin ervaren in het ontvangen van diepgaande relaties. Wij bevestigen eveneens de waarde van het delen van gemeenschappelijke worstelingen, als christenen samenkomen voor onderlinge verantwoording, vermaning en bemoediging.

Niettemin zien wij geen ruimte voor exclusieve, contractuele vriendschappen die op een huwelijk lijken. Evenmin zien wij ruimte voor een romantische houding tegenover hetzelfde geslacht. Of voor de veronderstelling dat bepaalde gevoeligheden en interesses noodzakelijkerwijs aspecten zijn van een homo-identiteit. Wij beschouwen homoseksuele gevoelens niet als een gave in zichzelf. Evenmin denken wij dat deze worsteling met de zonde, of welke worsteling met de zonde dan ook, in de kerk als iets moois gezien moet worden.

Twaalfde stelling: berouw en hoop
Wij bevestigen dat het hele leven van een gelovige een leven van berouw of boete is.[21] Wanneer wij hen die worstelen met homoseksuele gevoelens of met welke andere zondige begeerten dan ook, verkeerd behandeld hebben, roepen wij onszelf op tot berouw. Wanneer wij zondige gedachten, begeerten, woorden of daden hebben gekoesterd of er vrede mee hebben gesloten, roepen wij onszelf op tot berouw. Wanneer wij anderen onterecht met schaamte hebben overladen of niet goed zijn omgegaan met noodzakelijke, door God gegeven schaamte, roepen wij onszelf op tot berouw.

Niettemin, terwijl wij onszelf oproepen tot de evangelische genade van berouw (WCF 15.1), zien wij veel redenen om ons te verblijden (Filipp. 4:1). Wij zijn dankbaar voor berouwvolle gelovigen die, hoewel ze met homoseksuele gevoelens blijven worstelen, een leven van kuisheid en gehoorzaamheid leiden. Deze broeders en zusters kunnen dienen als moedige voorbeelden van geloof en trouw, juist daarin dat zij met volharding Christus navolgen in gehoorzaamheid en afhankelijkheid volgens het Evangelie. Wij zijn ook dankbaar voor bedieningen en kerken binnen ons kerkverband die in Bijbelse waarheid en genade de helpende hand reiken aan mensen met seksuele worstelingen (van allerlei aard). En het belangrijkste: wij zijn dankbaar voor het Evangelie dat de ergste zondaars –oudere broeders en jongere broeders, tollenaars en farizeeën, mensen binnen en buiten– kan redden en totaal veranderen. Wij verblijden ons in tienduizend geestelijke zegeningen die van ons zijn wanneer wij ons door de kracht van de Geest van de zonde afkeren, op de beloften van God vertrouwen en op Christus alleen rusten tot rechtvaardiging, heiliging en eeuwig leven (WCF 14.2).


Verklaring van afkortingen:

WCF = Westminster Confession of Faith (Westminster Geloofsbelijdenis)

WLC = Westminster Larger Catechism (Westminster Grote Catechismus)

WSC = Westminster Shorter Catechism (Westminster Kleine Catechismus)


[1] Met ‘mortificatie’ wordt bedoeld de strijd op leven en dood tegen de zonde (de doding van onze leden die op de aarde zijn, Kol. 3:5).

[2] Sinclair Ferguson, The Whole Christ: Legalism, Antinomianism, and Gospel Assurance―Why the Marrow Controversy Still Matters (Wheaton, IL: Crossway, 2016), 86.

[3] Ibid., 46.

[4] Paulus stelde de term arsenokoitai (1 Kor. 6:9; 1 Tim. 1:10) samen uit twee verwante termen in de Septuagintversie van Leviticus 18 en 20. De letterlijke betekenis is ‘manbedders’ ofwel mannen die seks hebben met andere mannen. Het woord malakoi kan ‘zacht’ betekenen, zoals in ‘zachte klederen’ (Matth. 11:8; Luk. 7:25), of het kan ‘verwijfd’ betekenen wanneer het in ongunstige zin voor mannen wordt gebruikt. In de oude Romeinse wereld ‘miste de “zachte” man een mannelijk postuur, moed, gezag en zelfbeheersing; hij leek op een vrouw.’ Fredrik Ivarrson, ‘Vice Lists and Deviant Masculinity,’ in Mapping Gender in Ancient Religious Discourses, onder redactie van Todd Penner en Caroline Vander Stichele (Leiden: Brill, 2007), 180. Seksuele passiviteit of penetrabiliteit is niet de definitie van malakos, maar het is één mogelijke connotatie. Ivarrson, ‘Vice Lists,’ 180-181. De combinatie van arsenokoitai en malakoi, die in het Nieuwe Testament eenmalig wordt gebruikt in 1 Korinthe 6:9, verwijst waarschijnlijk het meest direct – volgens de voetnoot in de English Standard Version – naar de actieve en passieve partners in consensuele homoseksuele activiteit. Voor een uitgebreidere bespreking, zie hoofdstuk 5 in Kevin DeYoung, What Does the Bible Really Say About Homosexuality? (Wheaton, IL: Crossway, 2015).

[5] A.A. Hodge merkt over WCF 6.5 op dat ‘de aangeboren morele verdorvenheid in de wedergeborenen overblijft zolang zij leven’ en dat ‘alle gevoelens en daden’ die door deze overblijvende verdorvenheid worden opgewekt, ‘waarlijk de aard van zonde hebben’. A.A. Hodge, The Westminster Confession: A Commentary (Edinburgh: Banner of Truth, 1998), 115.

[6] In het theologische taalgebruik wordt de dadelijke zonde onderscheiden van de aangeboren zonde die wij van Adam hebben geërfd. ‘Dadelijk’ moet in de ruimste betekenis van het woord ‘doen/handelen’ worden opgevat. De term ‘duidt niet alleen de uiterlijke daden of handelingen aan die door middel van het lichaam worden verricht, maar ook alle bewuste gedachten en wilsuitingen die uit de aangeboren zonde ontstaan’. Louis Berkhof, Systematic Theology (Grand Rapids, MI: Eerdmans, 1996), 251.

[7] Calvijn definieert berouw als ‘de ware omkering van ons leven tot God, een omkering die voortkomt uit een zuivere en ernstige vrees voor Hem. Berouw bestaat in de doding van ons vlees en van de oude mens, en in de levendmaking van de Geest.’ Johannes Calvijn, Institutes of the Christian Religion, tweedelig, onder redactie van John T. McNeil, vertaald door Ford Lewis Battles (Philadelphia: Westminster Press, 1960), III.3.5.

[8] Francis Turretin schrijft: ‘Wij moeten onderscheid maken tussen echt goed en volmaakt goed. Wij hebben eerder bewezen dat het laatste niet kan worden toegeschreven aan de werken der heiligen vanwege de onvolkomenheid van de heiliging en de overblijfselen der zonde. Maar het eerste wordt terecht aan hen toegekend, want hoewel ze nog niet volmaakt vernieuwd zijn, toch zijn ze echt en ongeveinsd vernieuwd.’ Francis Turretin, Institutes of Elenctic Theology, driedelig, onder redactie van James T. Dennison Jr., vertaald door George Musgrave Giger (Phillipsburg, NJ: Presbyterian and Reformed, 1997), 17.4.9.

[9] Jakobus 1:14-15 moet niet verkeerd worden begrepen, alsof daarin wordt gesuggereerd dat de verkeerde begeerte iets anders is dan zonde. Calvijn geeft deze uitleg: ‘Het lijkt echter ongepast en niet volgens het gebruik der Schrift om het woord “zonde” te beperken tot uitwendige werken, alsof de begeerlijkheid zelf geen zonde is en alsof verdorven begeerten, die vanbinnen opgesloten en onderdrukt blijven, niet evenzoveel zonden zijn. Maar aangezien het woord verschillend gebruikt wordt, is er niets onredelijks aan als het hier, evenals op veel andere plaatsen, wordt genomen voor dadelijke zonde. De papisten grijpen in hun onkunde deze passage aan en proberen eruit te bewijzen dat boosaardige, ja, vuile, goddeloze en de meest afschuwelijke begeerlijkheden geen zonden zijn indien er geen instemming is; want Jakobus laat niet zien waar de zonde geboren begint te worden zodat ze zonde is en voor zodanig door God gehouden wordt, maar wanneer ze uitbreekt.’ Johannes Calvijn, Commentaries on the Catholic Epistles, vertaald door John Owen (Grand Rapids, MI: Baker Book House, 1993), 290.

[10] Na de rooms-katholieke leer van de concupiscentie of begeerlijkheid te hebben beschreven (d.w.z. dat ‘de schuld en verontreiniging van de erfzonde volledig wordt weggenomen door de Doop’, en dat die concupiscentie ‘geen schade berokkent aan degenen die er niet in toestemmen’), stelt Herman Bavinck: ‘De Reformatie sprak zich uit tegen dat standpunt door te verklaren dat ook de onreine gedachten en begeerten die vóór en los van onze wil in ons opkomen, zonde zijn.’ Herman Bavinck, Reformed Dogmatics, onder redactie van John Bolt, vertaald door John Vriend (Grand Rapids, MI: Baker Academic, 2008), 3:143.

[11] ‘Toch blijven bepaalde tijdelijke gevolgen van de zonde in de gedoopten over, zoals lijden, ziekte en dood, tekortkomingen die inherent zijn aan het leven zoals karakterzwakheden, enzovoort, evenals een neiging tot de zonde die de Traditie concupiscentie of figuurlijk “het tondel voor de zonde” (fomes peccati) noemt; aangezien concupiscentie “ons is gelaten om mee te worstelen, kan ze geen schade berokkenen aan degenen die er niet in toestemmen, maar zich er manmoedig tegen verzetten door de genade van Jezus Christus”’ (Catechism of the Catholic Church 1264; zie ook 1426). Concupiscentie wordt verderop gedefinieerd als ‘de beweging van de sensitieve begeerte die in strijd is met de werking van de menselijke rede. … Concupiscentie gaat terug op de ongehoorzaamheid van de eerste zonde. Ze maakt de morele capaciteiten van de mens onvast en, zonder in zichzelf een vergrijp te zijn, neigt ze de mens tot het begaan van zonden’ (Catechism of the Catholic Church 2515).

[12] Calvijn verwoordt het gereformeerde standpunt goed: ‘Maar tussen Augustinus en ons kunnen we dit verschil van mening zien: hoewel hij toegeeft dat de gelovigen, zolang zij in een sterfelijke lichaam wonen, zodanig door ongeregelde begeerlijkheden (concupiscentiis) gebonden zijn dat zij er niet zonder kunnen zijn, toch durft hij deze ziekte geen ‘zonde’ te noemen. Terwijl hij ermee tevreden is om ze met de term “zwakheid” aan te duiden, leert hij dat ze pas zonde wordt wanneer op het bedenken of bevatten ervan óf een daad óf een toestemming volgt, dat wil zeggen: wanneer de wil zwicht voor de eerste sterke neiging. Wij daarentegen houden het voor een zonde wanneer een mens wordt gekitteld door welke begeerlijkheid tegen Gods wet dan ook. Ja, de slechtheid zelf die dergelijke begeerlijkheden in ons verwekt, betitelen wij als “zonde”.’ Calvijn, Institutes, 3.3.10. Evenzo stelt Bavinck dat de zonde niet in de overmaat aan hartstochten wordt gevonden, maar ‘in de manier [en] richting van die hartstochten’. Verderop schrijft hij: ‘Dit betekent enerzijds dat de voorwerpen/beelden die geest en lichaam in de ziel als de zetel van de gevoelens plaatsen, onrein, zondig en verdorven zijn; en anderzijds dat de gevoelens zelf verdorven zijn, onreinheid reflecteren, bezoedeld en vertroebeld zijn.’ Herman Bavinck, Reformed Ethics: Created, Fallen, and Converted Humanity, onder redactie van John Bolt (Grand Rapids, MI: Baker Academic: 2019), 90-91.

[13] ‘Op een lage en merkwaardige wijze’, schrijft Calvijn, terwijl hij Bernard van Clairvaux citeert, ‘verschaft de wil zelf, door de zonde ten kwade veranderd, zichzelf een noodzakelijkheid. Hierom fungeert de noodzakelijkheid – aangezien deze uit de wil voortkomt – niet om de wil te verontschuldigen, en fungeert de wil – aangezien deze verleid is – niet om de noodzakelijkheid uit te sluiten. Want deze noodzakelijkheid is als het ware vrijwillig.’ Verderop zegt hij ‘dat wij door geen ander juk gedrukt worden dan dat van een soort vrijwillige dienstbaarheid’. Calvijn, Institutes, 2.3.5.

[14] Het woord voor ‘verzoekt’ (peirazei) en ‘verzocht’ (peirazetai) in de verzen 13 en 14 is hetzelfde woord (in de zelfstandige naamwoordsvorm) als ‘verzoekingen’ (peirasmois) in vers 2.

[15] John Owen geeft deze uitleg: ‘Nu, wat betekent het om verzocht te worden? Het betekent dat de mens iets in overweging wordt gegeven dat, als hij ermee instemt, kwaad, zonde voor hem is. Dit is de handelwijze van de zonde: epithumei, ze ‘begeert’. De zonde roept kwaad in het hart omhoog en stelt kwaad voor aan de gedachten en de neigingen. Ze probeert als het ware uit of de ziel met haar suggesties zal instemmen of hoe ver de ziel ermee verder zal gaan, ook al krijgt de zonde niet helemaal de overhand. Nu, wanneer zo’n verzoeking vanbuiten komt, is ze voor de ziel een neutrale zaak: noch goed, noch kwaad, tenzij erin wordt toegestemd. Het voorstel zelf vanbinnen echter is, omdat dit de eigen daad van de ziel is, haar zonde.’ ‘Indwelling Sin’, in John Owen, Overcoming Sin and Temptation, onder redactie van Kelly M. Kapic en Justin Taylor (Wheaton, IL: Crossway, 2006), 276.

[16] Volgens Owen beschrijft Jakobus 1:14-15 een vijfstappenproces van de zonde: (1) de gedachten worden afgetrokken, (2) de neigingen raken verstrikt, (3) de wil stemt toe in de dadelijke zonde, (4) in de wandel wordt de zonde zichtbaar, en (5) de hardnekkige voortgang voleindigt de zonde en eindigt in de dood (297-298). Elke stap in het proces is erger dan de voorgaande. We moeten ‘waakzaam zijn tegen alle verleidingen tot de ontvangenis van de zonde’, maar in het bijzonder moeten we ‘zorgvuldig acht geven op alle afzonderlijke daden’, dat zij in overeenstemming zijn met Gods wil (299). De Westminster Larger Catechism spreekt meer in het algemeen wanneer ze leert dat, hoewel elke zonde Gods toorn en vloek verdient (WLC 152), sommige zonden afschuwelijker zijn dan andere, afhankelijk van de beledigende personen, de beledigde partijen, de aard van de belediging en de omstandigheden van de belediging (WLC 151).

[17] ‘Wij schrijven aan Christus niet alleen een natuurlijke, maar ook een morele integriteit of morele volmaaktheid, dat is: zondeloosheid, toe. Dit betekent niet enkel dat Christus het zondigen kon vermijden (potuit non peccare) en dit ook daadwerkelijk deed, maar ook dat het onmogelijk voor Hem was om te zondigen (non potuit peccare) vanwege de wezenlijke band tussen de menselijke en de Goddelijke natuur’ (Berkhof, Systematic Theology, 318).

[18] Deze spreekwijze komt bij Owen vandaan, die vervolgens zegt: ‘In het ene gevolg van verzoekingen, namelijk beproevingen en onrust, worden wij Christus gelijk; dus moeten wij ons verblijden in zoverre deze gelijkvormigheid op elke mogelijke manier teweeggebracht wordt. Echter, in het andere gevolg –namelijk daarin dat wij verontreinigd en verstrikt worden– worden wij Hem ongelijk; daarom moeten wij verzoekingen op alle mogelijke manieren trachten te vermijden. Wij komen er nooit uit te voorschijn zoals Christus. Wie van ons “gaat de verzoeking in” zonder verontreinigd te worden?’ ‘Of Temptation’, in John Owen, Overcoming Sin and Temptation, onder redactie van Kelly M. Kapic en Justin Taylor (Wheaton, IL: Crossway, 2006) 183.

[19] Deze manier van verwoording van de zaak komt bij Owen vandaan: ‘[Christus] was ons ook gelijk in verzoekingen. (…) Maar hierin kan ook enig verschil tussen Hem en ons worden opgemerkt, want de meeste van onze verzoekingen ontstaan in ons binnenste, uit ons eigen ongeloof en onze eigen begeerlijkheden. (…) Maar van deze dingen was Hij absoluut vrij, want Hij had geen inwendige gezindheden of neiging tot het minste kwaad; Hij was volmaakt in alle genaden en al hun werkingen te allen tijde. Toen dus de overste van deze wereld tot Hem kwam, had hij geen deel in Hem – niets wat instemde met zijn suggesties of een voedingsbodem was voor zijn verschrikkingen.’ John Owen, An Exposition of Hebrews (Edinburgh: Banner of Truth, 1991), 3:468.

[20] Bavinck maakt dit punt door te stellen dat hoewel de menselijke natuur van Christus niet gevallen was, Hij wel een zwakke menselijke natuur aannam die in sommige opzichten anders was dan die van Adam vóór de zondeval (Bavinck, Reformed Dogmatics, 3:311). De zondeloosheid van Christus deed niets af aan de echte strijd in het leven van Christus. ‘Want hoewel werkelijke verzoeking niet van binnenuit, maar alleen van buitenaf tot Jezus kon komen, toch bezat Hij een menselijke natuur die beducht was voor lijden en dood. Aldus werd Hij Zijn leven lang op allerlei manieren verzocht – door de satan, door Zijn vijanden en zelfs door Zijn discipelen (Matth. 4:1-11; Mark. 1:13; Luk. 4:1-13; Matth. 12:29; Luk. 11:22; 16:23; Mark. 8:33). En in die verzoekingen was Hij gehouden, terwijl Hij strijdend voortging, om trouw te blijven; het onvermogen om te zondigen (non posse peccare) was geen kwestie van dwang, maar zedelijk van aard en moest daarom op een zedelijke manier openbaar komen.’ Ibid., 3:315.

[21] Maarten Luther, ‘Ninety-five Theses’, in Martin Luther: Selections from His Writings, onder redactie van John Dillenberger (New York: Ankerboeken, 1962), 490.